ECLI:NL:RVS:2025:5175
Raad van State
- Hoger beroep
- J.F. de Groot
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verzoek overname private schuld toeslagenaffaire wegens niet-opeisbaarheid
In deze zaak heeft appellant, een gedupeerde van de toeslagenaffaire, verzocht om overname van een private schuld van € 25.000 aan zijn schoonvader. De minister van Financiën heeft dit verzoek geweigerd omdat de schuld niet was vastgelegd in een notariële akte en niet opeisbaar was vóór 1 juni 2021, zoals vereist in artikel 4.1 van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht).
De rechtbank Rotterdam heeft het beroep van appellant tegen deze weigering ongegrond verklaard, waarbij zij het belang van het wettelijke vereiste van een notariële akte en de opeisbaarheidstermijn benadrukte. De rechtbank nam ook mee dat de schuld pas zou hoeven worden terugbetaald zodra appellant daartoe in staat was.
In hoger beroep heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State het oordeel van de rechtbank onderschreven. De Afdeling stelde vast dat appellant onvoldoende heeft aangetoond dat de schuld vóór 1 juni 2021 opeisbaar was. De gevoelens van familiedruk en het uitstellen van terugbetaling vanwege persoonlijke omstandigheden veranderen hieraan niets.
Daarmee komt de Afdeling tot de conclusie dat de minister terecht heeft geweigerd de schuld over te nemen. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van het verzoek tot overname van de private schuld bevestigd.