ECLI:NL:RVS:2025:5188
Raad van State
- Hoger beroep
- N.H. van den Biggelaar
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke toetsing afwijzing verzoek sanering wegverkeerslawaai woningen Den Helder
In deze bestuursrechtelijke zaak gaat het om een verzoek van appellant tot opname van zijn woningen in Den Helder in een saneringsprogramma voor wegverkeerslawaai. Het college van burgemeester en wethouders had dit verzoek afgewezen omdat de woningen niet vóór 1 januari 2007 waren gemeld zoals vereist volgens de Wet geluidhinder (Wgh). Appellant had een herhaald verzoek ingediend, dat eveneens werd afgewezen met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
De rechtbank verklaarde zich onbevoegd, maar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State stelde vast dat zij zelf bevoegd is en vernietigde de uitspraak van de rechtbank. De Afdeling oordeelde dat de brief van 27 juni 2018 van het college wel degelijk een besluit is in de zin van de Awb, ondanks het ontbreken van een rechtsmiddelenclausule. Verder concludeerde de Afdeling dat appellant geen nieuwe feiten of omstandigheden had aangevoerd in zijn herhaalde verzoek, zodat het college terecht het verzoek mocht afwijzen.
Appellant voerde ook een beroep op het vertrouwensbeginsel aan, maar de Afdeling vond dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat het college toezeggingen had gedaan waaruit mocht worden afgeleid dat het verzoek niet zou worden afgewezen. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard. Het college werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellant in hoger beroep en tot terugbetaling van het griffierecht.
De uitspraak bevestigt de strikte toepassing van de regels omtrent herhaalde aanvragen en de bevoegdheid van de Afdeling bestuursrechtspraak in zaken op grond van de Wet geluidhinder.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en het verzoek tot opname van de woningen in het saneringsprogramma wordt afgewezen.