ECLI:NL:RVS:2025:5220

Raad van State

Datum uitspraak
31 oktober 2025
Publicatiedatum
29 oktober 2025
Zaaknummer
BRS.25.000495
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • M.J.M. Ristra-Peeters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake verblijfsvergunning asiel en proceskostenvergoeding

In deze zaak heeft de Raad van State op 31 oktober 2025 uitspraak gedaan in het hoger beroep van een appellant tegen een eerdere uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 4 april 2025. De appellant had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op 6 oktober 2023 was ingewilligd. Echter, de staatssecretaris wijzigde later de ingangsdatum van de verleende verblijfsvergunning naar 11 juni 2019, wat de appellant niet accepteerde en hiertegen beroep aantekende.

De rechtbank verklaarde het beroep van de appellant gegrond en vernietigde het besluit van de staatssecretaris voor wat betreft de ingangsdatum van de verblijfsvergunning, waarbij de rechtbank bepaalde dat de verblijfsvergunning met terugwerkende kracht vanaf 10 juni 2019 verleend moest worden. De appellant, vertegenwoordigd door mr. A. Habib-Portier, ging in hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank, specifiek gericht op de hoogte van de proceskostenvergoeding.

De Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte geen punten had toegekend voor een schriftelijke reactie van de appellant op het standpunt van de minister. De Afdeling vernietigde de uitspraak van de rechtbank voor zover het de proceskostenvergoeding betrof en veroordeelde de minister van Asiel en Migratie tot een hogere proceskostenvergoeding van in totaal € 2.721,00, waarvan € 2.267,50 voor het beroep en € 453,50 voor het hoger beroep. De uitspraak werd openbaar gemaakt op 31 oktober 2025.

Uitspraak

BRS.25.000495
Datum uitspraak: 31 oktober 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 4 april 2025 in zaak nr. NL23.34684 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 6 oktober 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, ingewilligd.
Tegen dat besluit heeft appellant beroep ingesteld.
Bij besluit van 19 augustus 2024 heeft de staatssecretaris de ingangsdatum van de aan appellant verleende verblijfsvergunning asiel gewijzigd in 11 juni 2019.
Appellant heeft te kennen gegeven het niet eens te zijn met dit besluit en het beroep te handhaven.
Bij uitspraak van 4 april 2025 heeft de rechtbank het door appellant ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd voor zover dat gaat over de ingangsdatum van de verblijfsvergunning, bepaald dat de verblijfsvergunning wordt verleend met ingang van 10 juni 2019 en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het besluit.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. A. Habib-Portier, advocaat in Oss, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.        In zijn enige grief klaagt appellant terecht dat de rechtbank in haar proceskostenveroordeling ten onrechte geen punten heeft toegekend voor de schriftelijke reactie die hij op verzoek van de rechtbank heeft ingediend op het standpunt van de minister over de uitspraak van de Afdeling van 20 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:159. Gelet op de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht, onder A1, diende de rechtbank appellant hier een half punt voor toe te kennen.
1.1.        De grief slaagt.
2.        Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank voor zover de rechtbank appellant een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. De Afdeling zal de minister voor de proceskosten in beroep veroordelen tot een vergoeding van een bedrag van € 2.267,50.
3.        De minister moet ook de proceskosten in hoger beroep vergoeden. De Afdeling past daarbij de wegingsfactor 0,5 toe, omdat het hoger beroep uitsluitend is gericht tegen de beslissing van de rechtbank over de hoogte van de proceskostenvergoeding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.        vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's­Hertogenbosch, van 4 april 2025 in zaak nr. NL23.34684, voor zover de rechtbank de minister van Asiel en Migratie heeft veroordeeld in de proceskosten tot een bedrag van € 1.814,00;
III.        veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.721,00 (€ 2.267,50 voor het beroep en € 453,50 voor het hoger beroep), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. M.J.M. Ristra-Peeters, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.A.M.J. Graat, griffier.
w.g. Ristra-Peeters
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Graat
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 31 oktober 2025
307-1170