ECLI:NL:RVS:2025:5220
Raad van State
- Hoger beroep
- M.J.M. Ristra-Peeters
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep inzake verblijfsvergunning asiel en proceskostenvergoeding
In deze zaak heeft de Raad van State op 31 oktober 2025 uitspraak gedaan in het hoger beroep van een appellant tegen een eerdere uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 4 april 2025. De appellant had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op 6 oktober 2023 was ingewilligd. Echter, de staatssecretaris wijzigde later de ingangsdatum van de verleende verblijfsvergunning naar 11 juni 2019, wat de appellant niet accepteerde en hiertegen beroep aantekende.
De rechtbank verklaarde het beroep van de appellant gegrond en vernietigde het besluit van de staatssecretaris voor wat betreft de ingangsdatum van de verblijfsvergunning, waarbij de rechtbank bepaalde dat de verblijfsvergunning met terugwerkende kracht vanaf 10 juni 2019 verleend moest worden. De appellant, vertegenwoordigd door mr. A. Habib-Portier, ging in hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank, specifiek gericht op de hoogte van de proceskostenvergoeding.
De Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte geen punten had toegekend voor een schriftelijke reactie van de appellant op het standpunt van de minister. De Afdeling vernietigde de uitspraak van de rechtbank voor zover het de proceskostenvergoeding betrof en veroordeelde de minister van Asiel en Migratie tot een hogere proceskostenvergoeding van in totaal € 2.721,00, waarvan € 2.267,50 voor het beroep en € 453,50 voor het hoger beroep. De uitspraak werd openbaar gemaakt op 31 oktober 2025.