AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing individuele toetsvoorziening voor vak Bestuursrecht na paniekaanval tijdens reparatietoets
Een student Rechtsgeleerdheid aan de Universiteit Utrecht vroeg een individuele toetsvoorziening aan voor het vak Bestuursrecht nadat hij tijdens een reparatietoets een paniekaanval met hyperventilatie kreeg, waardoor hij de toets niet normaal kon afronden. De examencommissie wees het verzoek af omdat paniekaanvallen en hyperventilatie volgens de universiteit niet als bijzondere omstandigheden van tijdelijke aard gelden. Ook het college van beroep voor de examens bevestigde deze afwijzing.
De student voerde aan dat zijn paniekaanval voortkwam uit psychisch letsel en dat het college onvoldoende had gemotiveerd waarom zijn verzoek werd afgewezen. Daarnaast stelde hij dat het gelijkheidsbeginsel werd geschonden en dat de verhoogde studielast onredelijk was. De voorzieningenrechter oordeelde echter dat de examencommissie en het college voldoende hadden gemotiveerd dat de paniekaanval geen bijzondere omstandigheid vormde en dat de studievertraging niet onnodig was omdat het vak in een later blok opnieuw gevolgd kon worden.
De voorzieningenrechter wees het beroep af en verwierp het verzoek om een voorlopige voorziening. De beslissing van het college bleef daarmee in stand. De student hoeft geen proceskosten te ontvangen.
Uitkomst: Het beroep van de student wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een individuele toetsvoorziening wordt afgewezen.
Uitspraak
202505099/1/A2 en 202505099/2/A2.
Datum uitspraak: 5 november 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 vanPro de Algemene wet bestuursrecht; hierna: Awb) en met toepassing van artikel 8:86 vanPro de Awb, op het beroep van:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
en
het college van beroep voor de examens van de Universiteit Utrecht,
verweerder.
Procesverloop
Bij beslissing van 20 mei 2025 heeft de examencommissie van de bachelor Rechtsgeleerdheid van de Faculteit Recht, Economie, Bestuur en Organisatie van de Universiteit Utrecht een verzoek van [appellant] om een individuele toetsvoorziening voor het vak Bestuursrecht afgewezen.
Bij beslissing van 10 september 2025 heeft het college het daartegen door [appellant] ingestelde administratief beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze beslissing heeft [appellant] beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
[appellant] heeft een nader stuk ingediend.
De voorzieningenrechter heeft de zaak op een zitting behandeld op 23 oktober 2025, waar [appellant], bijgestaan door mr. M.M. Breukers, en de examencommissie, vertegenwoordig door mr. M.A. Simon Thomas, zijn verschenen. Het college, vertegenwoordigd door mr. T.E. Riesthuis en F. Baijens, heeft via een videoverbinding, aan de zitting deelgenomen.
Partijen hebben toestemming gegeven om onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellant] volgt de bacheloropleiding Rechtsgeleerdheid aan de Universiteit Utrecht. Voor het vak Bestuursrecht moet een schriftelijke thuistoets worden gemaakt en een schriftelijke toets op locatie, die voor respectievelijk 40% en 60% meetellen voor het eindcijfer. Eerder in het studiejaar heeft [appellant] een 8 voor de schriftelijke thuistoets en een 2,8 voor de voor de toets op locatie gehaald. Als eindcijfer had hij een 4,9. Op 21 februari 2025 heeft hij deelgenomen aan een reparatietoets van de schriftelijke toets op locatie. Tijdens die toets kreeg [appellant] een paniekaanval die gepaard ging met hyperventilatie waardoor hij de toets niet normaal kon afronden. Hij heeft voor de toets een 3,6 behaald. Daarmee is zijn eindcijfer onvoldoende gebleven.
2. In geschil is of de examencommissie het verzoek van [appellant] om een individuele toetsvoorziening voor het vak Bestuursrecht heeft mogen afwijzen op grond van artikel 2.8 van het Reglement examencommissie bachelor Rechtsgeleerdheid per 1 september 2024 (hierna: het Reglement) en artikel 5.8 van de Onderwijs- en examenregeling bacheloropleiding Rechtsgeleerdheid 2024-2025 (hierna: de OER). De door [appellant] gevraagde voorziening houdt in dat hij in de gelegenheid wordt gesteld aan het einde van het tweede blok van het eerste semester de reguliere toets op locatie nogmaals af te leggen, zonder dat hij opnieuw de schriftelijke thuistoets hoeft te maken.
Beoordelingskader
3. Artikel 2.8 van het Reglement luidt als volgt:
"1. In het geval van bijzondere omstandigheden van tijdelijke aard die niet vallen onder art. 7.3 van de OER, waardoor de student niet in staat is op reguliere wijze aan een toets deel te nemen, kan de Examencommissie een individuele toetsvoorziening verlenen.
2. Een verzoek tot een individuele toetsvoorziening dient schriftelijk, gemotiveerd en met ondersteunend bewijsmateriaal ingediend te worden[…]."
Artikel 5.8 van de OER luidt als volgt:
"1. Indien het niet verlenen van een individuele toetsvoorziening zou leiden tot een 'bijzonder geval van onbillijkheid van overwegende aard' kan de examencommissie besluiten een individuele toetsvoorziening toe te kennen.
[…]."
Besluitvorming
4. De examencommissie heeft aan de beslissing van 20 mei 2025 ten grondslag gelegd dat paniekaanvallen en hyperventilatie, conform wat is vermeld op de webpagina van universiteit over individuele toetsvoorzieningen, worden aangemerkt als vormen van stress en prestatiedruk. Deze klachten vallen niet onder bijzondere omstandigheden van tijdelijke aard in de zin van artikel 2.8 van de Regeling en leveren dus geen grond op voor een individuele toetsvoorziening. Verder zijn er bij [appellant] geen andere bijzondere omstandigheden van tijdelijke aard vastgesteld, zodat geen sprake is van een situatie waarin het niet toekennen van een toetsvoorziening leidt tot een bijzonder geval van onbillijkheid van overwegende aard in de zin van artikel 5.8 van de OER. In het verweer in administratief beroep heeft de examencommissie toegelicht dat op de website van de universiteit een niet-limitatieve lijst van voorbeelden staat die niet bijzonder zijn, waaronder (zware) stress of prestatiedruk. Als voorbeelden die wel onder artikel 2.8 van de Regeling vallen heeft de examencommissie genoemd: medische omstandigheden zoals een operatie, een (ernstig) ongeluk, een recent opgelopen hersenschudding of persoonlijke omstandigheden zoals mantelzorg, overlijden of ernstige diagnose eerstegraads familie, uitvaart tijdens de reparatietoets en suïcidaliteit naasten. Hierbij hoort volgens de examencommissie ook de constatering dat pech een niet uit te sluiten onderdeel is van het leven en dat nadelige gevolgen daarvan niet altijd te voorkomen zijn. Daarbij heeft de examencommissie opgemerkt dat ook de werklast voor de organisatie en de docenten in het oog moet worden gehouden omdat de individuele toetsvoorziening buiten de reguliere onderwijsverplichtingen van een docent valt. Verder heeft de examencommissie toegelicht dat bij de beoordeling of sprake is van een onbillijkheid van overwegende aard wordt betrokken wat de gevolgen zijn voor een student bij het niet toekennen van de toetsvoorziening. Het oplopen van onnodige studievertraging (vaak met de eindstreep al in zicht) is daarvan een voorbeeld. Wanneer daarentegen binnen afzienbare tijd een reguliere mogelijkheid bestaat om een cursus nogmaals te volgen en opnieuw toetsen af te leggen, is geen sprake van onnodige studievertraging. Het herhalen van een niet behaalde cursus hoort volgens de examencommissie ook bij studeren. Daarbij heeft de examencommissie opgemerkt dat bij [appellant] de onderbouwing van zijn verzoek en het ondersteunend bewijsmateriaal summier waren, hij in september 2025 met zijn derde jaar start en hij het vak Bestuursrecht in blok 2 van het studiejaar 2025-2026 nog een keer kan volgen.
5. Het college heeft zich in de beslissing van 10 september 2025 op het standpunt gesteld dat de examencommissie het verzoek om een individuele toetsvoorziening heeft mogen afwijzen. [appellant] heeft volgens het college onvoldoende aangetoond dat zijn klachten die voortkomen uit psychisch letsel moeten worden aangemerkt als een bijzondere omstandigheid van tijdelijke aard in de zin van artikel 2.8 van de Regeling. De omstandigheid van [appellant] staat op de website van de universiteit in de lijst als voorbeeld van een niet bijzondere omstandigheid. Dat de paniekaanval verklaard kan worden in het licht van eerder doorgemaakt trauma, doet hieraan niet af. In het kader van de beoordeling of het niet toekennen van de individuele toetsvoorziening leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard, heeft het college betrokken dat [appellant] heeft gesteld dat het opnieuw volgen van het vak leidt tot een te hoge studielast in het derde jaar omdat hij nog een aantal cursussen uit voorgaande studiejaren moet afronden. Het college heeft overwogen dat dit laatste al een verhoogde studielast oplevert en dat daarom geen sprake is van een onbillijkheid van overwegende aard.
Beoordeling van het beroep
6. [appellant] voert aan dat de beslissing van het college onvoldoende is gemotiveerd. Het college is niet ingegaan op de door hem overgelegde verklaring van de verpleegkundige van 25 juni 2025. Daarbij merkt [appellant] op dat hij niet eerder tijdens tentamens paniekaanvallen heeft gehad. Ook wijst hij erop dat ‘paniekaanvallen’ pas na het indienen van zijn administratief beroep als voorbeeld is toegevoegd aan de lijst met voorbeelden van niet bijzondere omstandigheden op de website van de universiteit. Daarnaast is het college niet ingegaan op zijn beroep op het gelijkheidsbeginsel aan de hand van een door hem genoemd vergelijkbaar geval van een student met migraine. Verder voert [appellant] aan dat de overweging van het college dat een al verhoogde studielast een extra belasting minder bezwaarlijk zou maken, feitelijk onjuist en innerlijk tegenstrijdig is. Hij wijst er op dat de universiteit zelf waarschuwt voor overbelasting wanneer meerdere vakken in één periode worden gestapeld en dat hij nu in periode 2 drie vakken zou moeten volgen.
7. Het beroep van [appellant] slaagt niet. De opsomming op de lijst van niet-bijzondere omstandigheden van tijdelijke aard is niet limitatief. Het gaat er dus niet om of de omstandigheid van [appellant] precies onder één van de op de lijst vermelde voorbeelden valt zoals die op het moment van de besluitvorming luidde. De examencommissie en het college hebben door te wijzen op de samenhang met de ten tijde van de besluitvorming wel op die lijst genoemde stress en prestatiedruk naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende gemotiveerd waarom de paniekaanval en hyperventilatie van [appellant] geen bijzondere omstandigheid van tijdelijke aard zijn in de zin van artikel 2.8 van de Regeling. De door de verpleegkundige genoemde oorzaak van de paniekaanval, die het college anders dan [appellant] meent wel bij de beoordeling heeft betrokken, omdat het zijn klachten heeft geduid als klachten die voortkomen uit psychisch letsel, maakt dit niet anders. De voorzieningenrechter is verder van oordeel dat [appellant] zijn beroep op het gelijkheidsbeginsel onvoldoende heeft onderbouwd. De ongedateerde schermafbeelding van een beslissing van een andere examencommissie dat een andere student voor het vak Goederenrecht een individuele toetsvoorziening is toegekend, is onvoldoende om te concluderen dat de examencommissie in een gelijk geval een individuele toetsvoorziening heeft verleend. Ook de informatie die [appellant] van de studente heeft gekregen over haar medische omstandigheid maakt dit niet anders. Uit de informatie van [appellant] blijkt niet dat die andere studente een individuele toetsvoorziening op grond van artikel 2.8 van het Reglement heeft gekregen. De examencommissie heeft op de zitting desgevraagd opgemerkt die zaak niet te kennen, maar dat bij de beoordeling van artikel 5.8 van de OER naar alle omstandigheden van het geval wordt gekeken, zodat daar mogelijk het verschil met de zaak van [appellant] zit. De examencommissie en het college hebben zich naar het oordeel van de voorzieningenrechter terecht op het standpunt gesteld dat er bij [appellant] geen sprake is van een onbillijkheid van overwegende aard. [appellant] loopt geen onnodige studievertraging op. Het vak Bestuursrecht is niet zijn laatste vak voor het behalen van zijn bachelorsdiploma. Hij heeft de mogelijkheid om het vak in het tweede blok van het eerste semester nogmaals te volgen en in december 2025 en januari 2026 opnieuw de toetsen af te leggen. Als [appellant] het vak nogmaals volgt en haalt, kan hij zijn studie nominaal afronden. De overweging van het college dat een al verhoogde studielast een extra belasting minder bezwaarlijk zou maken, is inderdaad wat ongelukkig, maar dit maakt niet dat de beslissing 10 september 2025 moet worden vernietigd. De mededeling op de website van de universiteit over verhoogde studielast bij inschrijving voor drie cursussen is alleen een advies, dat er mede op is gebaseerd dat dan niet gegarandeerd kan worden dat werkgroepen en colleges elkaar overlappen.
Conclusie
8. Het beroep is ongegrond. Gelet hierop dient het verzoek om een voorlopige voorziening te worden afgewezen.
9. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het beroep ongegrond;
II. wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.A. de Vink, griffier.