ECLI:NL:RVS:2025:5256
Raad van State
- Hoger beroep
- M. den Heyer
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen afwijzing aanvraag machtiging tot voorlopig verblijf
In deze zaak gaat het om een hoger beroep van appellant tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 16 oktober 2023. De rechtbank had eerder de afwijzing van de minister van Asiel en Migratie op de aanvraag van appellant om een machtiging tot voorlopig verblijf ongegrond verklaard. De minister had deze aanvraag op 26 augustus 2021 afgewezen en het bezwaar van appellant op 2 februari 2023 ongegrond verklaard. Appellant, vertegenwoordigd door mr. I.C. van Krimpen, heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft het hoger beroep behandeld en geconcludeerd dat de rechtbank terecht en op goede gronden tot haar oordeel is gekomen. De Afdeling heeft de motivering van de rechtbank overgenomen en vastgesteld dat het hoger beroep geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming beantwoord moeten worden. De Afdeling heeft het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak is gedaan op 5 november 2025.