AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging rechtbankuitspraak en verwijzing beroep asielaanvraag naar rechtbank
Op 18 september 2023 wees de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de asielaanvraag van appellant af. De rechtbank Den Haag vernietigde dit besluit op 29 augustus 2024 en bepaalde dat de minister een nieuw besluit moest nemen. De minister wees de aanvraag opnieuw af op 14 februari 2025. Appellant stelde daartegen beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling oordeelde op 3 november 2025 dat het hoger beroep ongegrond is en bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank. Er waren geen nieuwe vragen die de rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming in algemene zin vereisten. De Afdeling wees ook het verzoek om proceskostenvergoeding af.
Omdat appellant tegen het nieuwe besluit van 14 februari 2025 gronden had aangevoerd die de rechtbank nog niet had beoordeeld, verwees de Afdeling het beroep tegen dat besluit terug naar de rechtbank Den Haag om verdere behandeling te voorkomen. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer onder leiding van J.H. van Breda.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het beroep tegen het nieuwe besluit wordt verwezen naar de rechtbank.
Uitspraak
202406005/1/V1.
Datum uitspraak: 3 november 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 29 augustus 2024 in zaak nr. NL23.32454 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 18 september 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 29 augustus 2024 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. S. Oukil, advocaat in Utrecht, hoger beroep ingesteld.
Bij besluit van 14 februari 2025 heeft de minister de aanvraag van appellant opnieuw afgewezen.
Appellant heeft daartegen beroepsgronden ingediend.
Overwegingen
Hoger beroep
1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
2. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beroep van rechtswege
3. Het besluit van 14 februari 2025 wordt, gelet op artikel 6:19, gelezen in samenhang met artikel 6:24 vanPro de Awb, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding. Bij dit besluit heeft de minister de asielaanvraag van appellant opnieuw afgewezen. Appellant heeft daartegen op 26 maart 2025 gronden aangevoerd die de rechtbank nog niet heeft beoordeeld. Om verlies van instantie te voorkomen, verwijst de Afdeling in dit geval de beslissing op het van rechtswege ontstane beroep krachtens artikel 6:19, vijfde lid, van de Awb, ter behandeling naar de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. verwijst het beroep tegen het besluit van 14 februari 2025, V-290.876.3686, V-290.876.3720 en V-290.876.3758, naar de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.K. de Keizer, griffier.