ECLI:NL:RVS:2025:5261

Raad van State

Datum uitspraak
3 november 2025
Publicatiedatum
3 november 2025
Zaaknummer
202504904/1/V3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen inreisverbod en terugkeerbesluit van de minister van Asiel en Migratie

In deze zaak gaat het om een hoger beroep van appellant tegen besluiten van de minister van Asiel en Migratie, waarbij appellant is opgedragen de Europese Unie te verlaten en een inreisverbod is opgelegd. De minister heeft op 12 juli 2025 en 5 augustus 2025 besluiten genomen die appellant verplichten de EU te verlaten. Appellant heeft tegen het besluit van 5 augustus 2025 beroep ingesteld, dat door de rechtbank op 14 augustus 2025 gegrond is verklaard, waardoor het terugkeerbesluit en inreisverbod van die datum zijn vernietigd. Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen deze uitspraak, vertegenwoordigd door mr. M.A. Krikke.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in haar uitspraak van 3 november 2025 geoordeeld dat de rechtbank ten onrechte het beroep tegen het terugkeerbesluit en inreisverbod van 12 juli 2025 niet heeft behandeld. De Afdeling heeft het hoger beroep gegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd voor zover deze het beroep tegen het besluit van 12 juli 2025 niet heeft behandeld. De Afdeling heeft het beroep ongegrond verklaard, omdat appellant geen rechtmatig verblijf in Nederland had en de minister op grond van de Vreemdelingenwet gehouden was om een terugkeerbesluit te nemen. De minister is veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten in hoger beroep tot een bedrag van € 907,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Uitspraak

202504904/1/V3.
Datum uitspraak: 3 november 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 14 augustus 2025 in zaak nr. NL25.36382 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluiten van 12 juli 2025 heeft de minister appellant opgedragen de Europese Unie binnen vier weken te verlaten en een inreisverbod tegen hem uitgevaardigd.
Bij besluiten van 5 augustus 2025 heeft de minister appellant opgedragen de Europese Unie onmiddellijk te verlaten en een inreisverbod tegen hem uitgevaardigd.
Bij uitspraak van 14 augustus 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep gegrond verklaard en het terugkeerbesluit en inreisverbod van 5 augustus 2025 vernietigd.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. M.A. Krikke, advocaat in Bussum, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.       Wat appellant in zijn eerste grief over de proceskostenveroordeling heeft aangevoerd, leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat de grief geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
2.       Appellant voert in zijn tweede grief terecht aan dat de rechtbank ten onrechte de gronden tegen het terugkeerbesluit en inreisverbod van 12 juli 2025 niet heeft besproken. Hij heeft beroep tegen deze besluiten ingesteld. Dat beroep heeft op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb van rechtswege ook betrekking op het terugkeerbesluit en inreisverbod van 5 augustus 2025. De rechtbank heeft alleen het beroep tegen de besluiten van 5 augustus 2025 beoordeeld, terwijl zij eerst had moeten beoordelen of het terugkeerbesluit en inreisverbod van 12 juli 2025 rechtmatig waren.
2.1.    De grief slaagt.
3.       Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover de rechtbank het beroep tegen de besluiten van 12 juli 2025 niet heeft behandeld. De Afdeling beoordeelt het beroep. Daarbij bespreekt zij alleen beroepsgronden waarover de rechtbank nog geen oordeel heeft gegeven en beroepsgronden waarop na de overwegingen in hoger beroep nog moet worden beslist.
4.       Appellant betoogt tevergeefs dat de minister ten onrechte het terugkeerbesluit van 12 juli 2025 heeft genomen. Hij heeft namelijk sinds 29 september 2024 geen rechtmatig verblijf in Nederland. Dit heeft hij niet betwist. Daarom was de minister op grond van artikel 62a van de Vw 2000 in beginsel gehouden om een terugkeerbesluit te nemen. Verder betoogt appellant tevergeefs dat de minister ten onrechte een inreisverbod van twee jaar heeft uitgevaardigd, dan wel dit ondeugdelijk heeft gemotiveerd. De minister heeft de door appellant tijdens het gehoor naar voren gebrachte omstandigheden, te weten dat hij een neef heeft in Duitsland en dat hij probeert van zijn alcoholverslaving af te komen, kenbaar betrokken in haar besluit en daarin geen aanleiding hoeven zien om van het inreisverbod af te zien of de duur daarvan te verkorten. Anders dan appellant betoogt, heeft de minister dus bij besluiten van 12 juli 2025 krachtens artikel 62a en 66a, tweede lid, van de Vw 2000 een terugkeerbesluit mogen nemen en een inreisverbod voor de duur van twee jaar tegen hem mogen uitvaardigen en dit ook deugdelijk gemotiveerd. Appellant heeft verder geen bijzondere individuele omstandigheden naar voren gebracht die zouden moeten leiden tot een ander oordeel.
4.1.    De beroepsgrond faalt.
5.       Het beroep is ongegrond. De minister moet de proceskosten in hoger beroep vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 22 september 2025 in zaak nr. NL25.14823, voor zover de rechtbank het beroep tegen het terugkeerbesluit en inreisverbod van 12 juli 2025 niet heeft behandeld;
III.      verklaart het beroep ongegrond;
IV.      veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 907,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, griffier.
w.g. De Moor-van Vugt
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Meurs-Heuvel
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 3 november 2025
47-1125