ECLI:NL:RVS:2025:5275

Raad van State

Datum uitspraak
3 november 2025
Publicatiedatum
3 november 2025
Zaaknummer
BRS.25.001759
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbDublinverordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen overdracht aan Duitsland op grond van Dublinverordening

Verzoeker heeft bij de minister van Asiel en Migratie een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke niet in behandeling is genomen. De rechtbank verklaarde het beroep van verzoeker tegen deze beslissing ongegrond. Verzoeker stelde vervolgens hoger beroep in en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen, waarmee de voorgenomen overdracht aan Duitsland op grond van de Dublinverordening zou worden opgeschort.

De voorzieningenrechter overweegt dat het niet aannemelijk is dat de uitspraak van de rechtbank zal worden vernietigd. Daarnaast wordt meegewogen dat de overdrachtstermijn aan Duitsland op 9 november 2025 verstrijkt en dat de overdracht geen onomkeerbare gevolgen heeft. Indien Nederland uiteindelijk verantwoordelijk blijkt te zijn, kan verzoeker vanuit Duitsland worden teruggeleid.

Daarom wijst de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening af en bepaalt dat de minister geen proceskosten hoeft te vergoeden. De uitspraak is gedaan in het openbaar op 3 november 2025 door mr. C.J. Borman, voorzieningenrechter.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de overdracht aan Duitsland wordt afgewezen.

Uitspraak

BRS.25.001759
Datum uitspraak: 3 november 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
[verzoeker],
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 27 oktober 2025 in zaak nr. NL25.48087 in het geding tussen:
[verzoeker]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 1 oktober 2025 heeft de minister een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 27 oktober 2025 heeft de rechtbank het daartegen door verzoeker ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft verzoeker hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1.         Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat zijn voorgenomen overdracht aan Duitsland op 4 november 2025 achterwege blijft, dat hij niet wordt overgedragen voordat op het hoger beroep is beslist en dat hij opvang en verstrekkingen krijgt.
2.        Gelet op wat is aangevoerd, is naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet aannemelijk dat de uitspraak van de rechtbank zal worden vernietigd. Gelet op de belangen die de minister en verzoeker naar voren hebben gebracht, treft de voorzieningenrechter geen voorlopige voorziening, hoewel de hogerberoepstermijn nog niet is verstreken. Daarbij betrekt de voorzieningenrechter dat de verantwoordelijkheid van Duitsland voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming is vastgesteld op grond van de Dublinverordening en dat de overdrachtstermijn op 9 november 2025 verstrijkt. De overdracht van verzoeker aan Duitsland heeft verder geen onomkeerbare gevolgen. Mocht uiteindelijk blijken dat Nederland verantwoordelijk moet worden geacht voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming, dan kan verzoeker vanuit Duitsland worden teruggeleid naar Nederland.
3.        Het verzoek wordt afgewezen. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van N. Capel LLM, griffier.
w.g. Borman
voorzieningenrechter
w.g. Capel
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 3 november 2025
1024