AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Niet-ontvankelijkheid beroep tegen weigering herziening bestemmingsplan Zonnebloem-West en toekenning schadevergoeding wegens termijnoverschrijding
Deze zaak betreft het beroep van de eigenaar van twee percelen op het zomerhuizenterrein Zonnebloem-West in Lemele tegen het niet tijdig beslissen op een aanvraag tot herziening van het bestemmingsplan en tegen het besluit van de raad van de gemeente Ommen van 20 juni 2024, waarin het verzoek tot realisatie van vijf recreatiewoningen werd afgewezen.
De Afdeling bestuursrechtspraak stelt vast dat de raad inmiddels op 20 juni 2024 op de aanvraag heeft beslist, waardoor het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk is wegens gebrek aan belang. Tevens is het beroep tegen het besluit van 20 juni 2024 niet-ontvankelijk omdat appellant inmiddels enkel nog planschadecompensatie in geld wenst, waardoor het belang bij het bestemmingsplan is komen te vervallen.
De Afdeling overweegt dat het planschadebesluit van 15 december 2009 impliceert dat bij het niet kunnen realiseren van compensatie in natura een vervolgbesluit over financiële compensatie moet worden genomen. De raad wordt aangespoord dit voortvarend te behandelen.
Verder wordt vastgesteld dat de redelijke termijn voor de behandeling van het beroep is overschreden met ruim 1 jaar en 9 maanden, wat volledig aan de raad wordt toegerekend. Daarom wordt een schadevergoeding van in totaal € 2000 toegekend, te verdelen over de appellanten. De raad wordt tevens veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van € 453,50 in verband met de behandeling van het verzoek om schadevergoeding.
Uitkomst: Beide beroepen worden niet-ontvankelijk verklaard en de raad wordt veroordeeld tot betaling van schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Uitspraak
202400586/1/R3.
Datum uitspraak: 12 november 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant A] wonend in [woonplaats], en [appellant B] wonend in [woonplaats],
appellanten (hierna samen en in enkelvoud: [appellant]),
en
de raad van de gemeente Ommen,
verweerder.
Procesverloop
[appellant] heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig door de raad nemen van een besluit op zijn aanvraag van 25 juni 2014.
De raad heeft een verweerschrift ingediend.
Bij besluit van 20 juni 2024 heeft de raad het verzoek tot herziening van het bestemmingsplan "Zonnebloem-West" ten behoeve van de realisatie van 5 recreatiewoningen aan de Zonnebloemweg 24 en Bergweg 33 in Lemele afgewezen.
[appellant] heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en de raad verzocht in te stemmen met rechtstreeks beroep bij de bestuursrechter als bedoeld in artikel 7:1a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb).
De raad heeft met dat verzoek ingestemd en het bezwaarschrift met toepassing van artikel 7:1a, vijfde lid, van de Awb doorgezonden aan de Afdeling ter behandeling als rechtstreeks beroep.
De raad en [appellant] hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 11 augustus 2025, waar [gemachtigde] en [appellant B] bijgestaan door mr. C.C. Corsten, advocaat in Utrecht, de raad, vertegenwoordigd door E. Greving en bijgestaan door mr. B.S. ten Kate, advocaat in Utrecht, en het college, vertegenwoordigd door mr. B.S. ten Kate, zijn verschenen.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een bestemmingsplan vast te stellen is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt.
De aanvraag om het bestemmingsplan vast te stellen is ingediend op 25 juni 2014. Dat betekent dat in dit geval het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.
Inleiding
2. Deze zaak gaat over twee percelen op het zomerhuizenterrein "Zonnebloem West" in Lemele. Op één van de twee percelen staat een zomerhuis. [appellant] is, als rechtsopvolger van [partij], eigenaar van beide percelen. Vóór de vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied, artikel 30 WROPro herziening", op 30 januari 2003, bestond de mogelijkheid om op deze percelen in totaal 6 vrijstaande zomerhuizen te bouwen. Het toen vastgestelde bestemmingsplan sloot deze mogelijkheid uit.
De Afdeling heeft in haar uitspraak van 21 januari 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BH0457, geoordeeld dat [partij] als gevolg hiervan in een nadeliger positie is komen te verkeren en dat het aannemelijk is dat zij daardoor schade lijdt. Vervolgens heeft de raad bij besluit van 15 december 2009 (hierna: het planschadebesluit) aan [partij] of eventuele rechtsopvolgers onder algemene of bijzondere titel, gedurende een periode van 2 jaar na het onherroepelijk worden van dat besluit, de mogelijkheid geboden om door middel van de indiening van een bouwaanvraag de bouwmogelijkheden die bestonden vóór de planwijziging alsnog geheel of gedeeltelijk te realiseren. Na herstel van de bouwmogelijkheden door middel van de verlening van een daartoe strekkend projectbesluit en een bouwvergunning bestaat deze mogelijkheid voor drie jaar. Het besluit van 15 december 2009 is met de uitspraak van de Afdeling van 18 juli 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX1866, onherroepelijk geworden.
3. Op 25 juni 2014 heeft [partij] een aanvraag tot wijziging van het geldende bestemmingsplan (hierna: de aanvraag) ingediend bij het college van burgemeester en wethouders van Ommen. Deze aanvraag is in eerste instantie bij besluit van 3 februari 2022 door de raad afgewezen. Dit besluit heeft de Afdeling in haar uitspraak van 10 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1832, vernietigd, omdat zij van oordeel was dat dit niet op zorgvuldige wijze was voorbereid en onvoldoende was gemotiveerd. De raad moest daarom opnieuw op de aanvraag beslissen. De Afdeling heeft hem opgedragen zijn motie van 3 februari 2022 (hierna: de raadsmotie) daarbij te betrekken, waaruit volgt dat moet worden geprobeerd tot een oplossing te komen, waarbij het planschadebesluit mede als uitgangspunt geldt.
4. Volgens [appellant] heeft de raad vervolgens niet tijdig opnieuw op zijn aanvraag beslist. Hij heeft daarom beroep ingesteld bij de Afdeling. Bij besluit van 20 juni 2024 heeft de raad vervolgens opnieuw geweigerd om een bestemmingsplan vast te stellen dat de bouw van vijf recreatiewoningen toestaat. Uit artikel 6:20, derde lid, van de Awb volgt dat het beroep van [appellant] mede betrekking heeft op dit besluit. [appellant] is het niet eens met dit besluit. Volgens hem is het onzorgvuldig voorbereid, onvoldoende gemotiveerd, is de raadsmotie er ten onrechte niet bij betrokken en is ten onrechte niet besloten over zijn recht op planschade in geld.
5. De Afdeling zal eerst het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit bespreken. Vervolgens zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 20 juni 2024 bespreken.
Beroep tegen niet tijdig nemen besluit
6. [appellant] betoogt dat de raad niet tijdig heeft beslist op zijn aanvraag van 25 juni 2014. In de uitspraak van de Afdeling van 10 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1832, is namelijk geoordeeld dat de raad opnieuw op deze aanvraag moet beslissen.
6.1. De Afdeling stelt vast dat de raad inmiddels bij besluit van 20 juni 2024 opnieuw op de aanvraag heeft beslist. Naar het oordeel van de Afdeling heeft [appellant] daarom in dit geval geen belang meer bij een uitspraak over zijn beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit.
Beroep tegen besluit 20 juni 2024
Procesbelang
7. Op de zitting heeft [appellant] desgevraagd aangegeven dat hij inmiddels enkel wenst planschadecompensatie in geld te ontvangen, niet in natura. Dit betekent, zoals op de zitting is besproken, dat hij geen belang meer heeft bij deze procedure over de weigering van de raad om het door hem aangevraagde bestemmingsplan vast te stellen. Zijn beroep tegen het besluit van 20 juni 2024 zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.
7.1. Zoals op de zitting is besproken, laat dit nog verschillende vragen onbeantwoord, die in een andere procedure beantwoord zullen moeten worden. De Afdeling overweegt in dit kader dat het planschadebesluit van 15 december 2009 impliceert dat er, in het geval dat planschadecompensatie in natura niet tot stand kan worden gebracht, een vervolgbesluit zal moeten worden genomen over het recht op planschadecompensatie in geld. De Afdeling verwijst naar haar eerdere overwegingen in de uitspraak van 18 juli 2012 over het planschadebesluit, ECLI:NL:RVS:2012:BX1866, onder 2.6-2.7. De Afdeling overwoog toen dat met het planschadebesluit met voldoende zekerheid vaststond dat, indien compensatie in natura niet tot stand zou kunnen worden gebracht, de raad financiële compensatie zou bieden na het vaststellen van de hoogte van het alsnog uit te betalen bedrag na inwinning van advies bij ter zake kundige, onafhankelijke planschadeadviseurs.
Aangezien met onderhavige uitspraak vast komt te staan dat compensatie in natura niet tot stand kan worden gebracht, stelt de Afdeling vast dat de raad nu ambtshalve een vervolgbesluit moet nemen in de planschadeprocedure die is begonnen met het verzoek om planschadecompensatie van 14 januari 2004. Volledigheidshalve merkt de Afdeling nog op dat [appellant], onder verwijzing naar het besluit van de raad van 15 december 2009 en naar de uitspraak van de Afdeling van 18 juli 2012, de raad kan verzoeken om dit vervolgbesluit over een financiële vergoeding van planschade te nemen. De Afdeling vertrouwt erop dat de raad dit, zoals op de zitting is toegezegd, voortvarend zal behandelen, waarbij de raad [appellant] ook in de gelegenheid zal stellen het verzoek van 14 januari 2004 nader te adstrueren.
Overschrijding redelijke termijn
8. [appellant] heeft de Afdeling verzocht om een schadevergoeding in verband met de overschrijding van de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM).
8.1. Voor een zaak die door de Afdeling zonder voorafgaande bezwaarfase in eerste en enige aanleg wordt behandeld, is het uitgangspunt dat binnen een termijn van twee jaar uitspraak moet zijn gedaan. Zoals de Afdeling eerder heeft geoordeeld, in de uitspraak van 18 oktober 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2815, onder 9, geldt dit ook in procedures waarin de bezwaarfase met toepassing van artikel 7:1a van de Awb is overgeslagen.
8.2. Als in een procedure over een beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit alsnog een reëel besluit wordt genomen, vangt de redelijke termijn voor de behandeling van het beroep over het reële besluit aan op de dag waarop het beroep van rechtswege is ontstaan. Het eerste reële besluit in deze procedure is op 3 februari 2022 genomen, zodat op die dag het beroep van rechtswege daartegen is ontstaan. Dit betekent dat de redelijke termijn tot 3 februari 2024 liep. De procedure eindigt met deze uitspraak van 12 november 2025. Dat betekent dat de redelijke termijn met 1 jaar en ruim 9 maanden is overschreden.
8.3. Als een zaak na een eerdere vernietiging opnieuw aan de rechter wordt voorgelegd, of als in een zaak een tussenuitspraak is gedaan, wordt de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel volledig toegerekend aan het bestuursorgaan, tenzij in de rechterlijke fase de redelijke behandelingsduur is overschreden. In geen van beide procedures is de redelijke behandelingsduur door de Afdeling overschreden. Dit betekent dat de overschrijding volledig aan de raad wordt toegerekend.
8.4. Uitgaande van een forfaitair bedrag van € 500,00 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond, bedraagt het aan zowel [appellant A] als aan [appellant B] toe kennen bedrag € 2000,00. Omdat [appellant A] en [appellant B] gezamenlijk hebben geprocedeerd, ziet de Afdeling aanleiding dit bedrag te matigen in de zin dat zij ieder de helft van dat bedrag (dus € 1000,00) krijgen toegekend. De Afdeling zal de raad daarom veroordelen tot betaling van een schadevergoeding van in totaal € 2000,00.
Conclusie
9. Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit is niet-ontvankelijk, vanwege het ontbreken van procesbelang. Het beroep tegen het besluit van 20 juni 2024 is ook niet-ontvankelijk, vanwege het ontbreken van procesbelang.
10. Omdat de reden voor het ontvallen van het procesbelang bij geen van beide beroepen aan de raad is toe te rekenen, hoeft de raad in het kader van deze beroepen geen proceskosten te vergoeden. Dit betekent ook dat de Afdeling in dit kader niet ingaat op het verzoek van [appellant] tot vergoeding van de werkelijk gemaakte advocatenkosten.
11. Het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt toegewezen. De proceskosten van [appellant] in het kader van dit verzoek moet de raad wél vergoeden. De Afdeling ziet daarbij echter geen aanleiding om af te wijken van het forfaitaire stelsel en de raad te veroordelen tot vergoeding van de werkelijk gemaakte advocatenkosten.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het beroep van [appellant A] en [appellant B] tegen het niet tijdig door de raad nemen van een besluit niet-ontvankelijk;
II. verklaart het beroep van [appellant A] en [appellant B] tegen het besluit van 20 juni 2024 niet-ontvankelijk.
III. wijst het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn toe;
IV. veroordeelt de raad van de gemeente Ommen om aan [appellant A] en [appellant B] een schadevergoeding van € 2000,00 te betalen, met dien verstande dat met betaling van genoemd bedrag aan één van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
V. veroordeelt de raad van de gemeente Ommen tot vergoeding van de bij [appellant A] en [appellant B] in verband met de behandeling van het verzoek om schadevergoeding opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 453,50, met dien verstande dat met betaling van genoemd bedrag aan één van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.
Aldus vastgesteld door mr. A. ten Veen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.G. Tricoli, griffier.