ECLI:NL:RVS:2025:5464
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering paspoortaanvraag wegens verlies Nederlanderschap en optieverklaring
De ouders van appellante vroegen op 15 augustus 2022 een Nederlands paspoort voor haar aan bij de Nederlandse ambassade in Turkije. De minister weigerde deze aanvraag in behandeling te nemen omdat appellante op 14 december 2012 het Nederlanderschap had verloren door afstand van haar vader, wat automatisch het verlies van het Nederlanderschap van minderjarige kinderen tot gevolg heeft.
De rechtbank oordeelde dat appellante een optieverklaring moet afleggen om een Unierechtelijke evenredigheidstoets te kunnen ondergaan, aangezien deze toets sinds 1 april 2022 niet meer bij paspoortaanvragen wordt uitgevoerd. Appellante stelde dat de rechtbank onvoldoende rekening hield met de onevenredige gevolgen van het verlies van het Nederlanderschap voor haar.
De Afdeling bestuursrechtspraak stelde vast dat appellante geen concrete aanknopingspunten had aangeleverd om het oordeel van de rechtbank te weerleggen. De minister handelde terecht door te stellen dat de optieverklaring vereist is. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de paspoortaanvraag bevestigd.