Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2025:5467

Raad van State

Datum uitspraak
12 november 2025
Publicatiedatum
12 november 2025
Zaaknummer
202501719/1/A2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • J.Th. Drop
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen uitschrijving student zonder leerwerkplek bij ROC Amsterdam

De Raad van Bestuur van het ROC van Amsterdam schreef appellant op 3 april 2024 uit voor de BBL-opleiding Handel-/Retailmedewerker niveau 2 vanwege het ontbreken van een leerwerkplek van minimaal 20 uur per week, wat vereist is voor het afronden van de opleiding.

De Afdeling bestuursrechtspraak vernietigde op 24 juli 2024 het bezwaarbesluit van 30 mei 2024 en herroept het uitschrijvingsbesluit van 3 april 2024, omdat geen wettelijke grondslag bestaat voor uitschrijving op die grond. Appellant stelde dat zijn oude onderwijsovereenkomst hersteld moest worden zodat hij in juli 2025 kon afstuderen.

Na overleg en het vinden van een leerwerkplek in februari 2025 besloot de opleidingsmanager dat appellant een nieuwe onderwijsovereenkomst moest krijgen vanwege het gemiste studiejaar. Appellant stelde dat dit niet in lijn was met de uitspraak van de Afdeling en verzocht herstel van zijn oude inschrijving.

De Afdeling oordeelt dat de Raad van Bestuur terecht een nieuwe inschrijving heeft vastgesteld, omdat het onrealistisch is dat appellant de opleiding binnen de oorspronkelijke termijn kan afronden. De Afdeling wijst erop dat zij niet heeft geoordeeld dat appellant per juli 2025 moet afstuderen en verklaart het beroep ongegrond.

Uitkomst: Het beroep van appellant tegen de uitschrijving wordt ongegrond verklaard en de nieuwe inschrijving gehandhaafd.

Uitspraak

202501719/1/A2.
Datum uitspraak: 12 november 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
en
Raad van Bestuur van het ROC van Amsterdam,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 3 april 2024 heeft de Raad van Bestuur de inschrijving van [appellant] beëindigd.
Bij besluit van 30 mei 2024 heeft de Raad van Bestuur het door [appellant] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij mondelinge uitspraak van 24 juli 2024 heeft de Afdeling het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 30 mei 2024 vernietigd en de beslissing van 3 april 2024 herroepen.
Bij besluit van 19 maart 2025 is [appellant] met ingang van 1 februari 2025 opnieuw ingeschreven voor de opleiding Retailmedewerker leerweg BBL bij het ROC van Amsterdam.
[appellant] heeft beroep ingesteld.
De Raad van Bestuur heeft een verweerschrift ingediend.
[appellant] heeft nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 25 september 2025, waar [appellant] en de Raad van Bestuur, vertegenwoordigd door mr. M. Jonk en K. El Hani, zijn verschenen.
Overwegingen
1.       De Raad van Bestuur heeft op 3 april 2024, gehandhaafd bij besluit van 30 mei 2024, [appellant] uitgeschreven voor de BBL-opleiding Handel-/Retailmedewerker niveau 2, omdat hij geen leerwerkplek voor minimaal 20 uur per week (meer) had. Dit is wel vereist voor het succesvol afronden van de opleiding.
2.       De Afdeling heeft in een uitspraak van 24 juli 2024 vastgesteld dat er geen wettelijke grondslag is om een student om deze reden uit te schrijven. Zij heeft daarom het besluit van 30 mei 2024 vernietigd en het uitschrijvingsbesluit van 3 april 2024 herroepen.
3.       [appellant] en de Raad van Bestuur zijn daarna in overleg getreden om gevolg te geven aan de uitspraak. [appellant] heeft vervolgens bij e-mail van 18 december 2024 laten weten zijn opleiding te willen vervolgen. Nadat hij in februari 2025 een leerwerkplek had gevonden, heeft hij verzocht om teruggeplaatst te worden in de tweejarige opleiding die hij in augustus 2023 is gestart. Daarbij heeft hij toegelicht dat hij zijn opleiding binnen de duur van de destijds gesloten onderwijsovereenkomst wil afronden.
4.       De opleidingsmanager heeft op advies van de betrokken docenten en begeleiders [appellant] bij e-mail van 6 maart 2025 laten weten dat hij heeft besloten dat [appellant] de opleiding moet voortzetten binnen een nieuwe onderwijsovereenkomst. Hij heeft anderhalf jaar aan opleiding gemist, waardoor het niet realistisch is om te verwachten dat hij de tweejarige opleiding binnen vier maanden af kan ronden.
5.       Vervolgens heeft [appellant] op 12 maart 2025 een ingebrekestelling aan de opleidingsmanager verzonden, omdat geen gevolg is gegeven aan de uitspraak van de Afdeling. Daarbij heeft hij verzocht dat de Raad van Bestuur binnen 7 dagen na dagtekening van de brief zijn inschrijving herstelt met de juiste startdatum van 1 augustus 2023 en de einddatum van 31 juli 2025.
6.       Op 19 maart 2025 heeft [appellant] per e-mail het nieuwe inschrijvingsbesluit ontvangen. Daarbij is hij voor twee jaar ingeschreven vanaf februari 2025 tot en met februari 2027.
Oordeel van de Afdeling
7.       [appellant] betoogt dat de Raad van Bestuur geen gevolg heeft gegeven aan de uitspraak van de Afdeling van 24 juli 2024. Hij had geen nieuw inschrijvingsbesluit moeten krijgen, maar zijn oude onderwijsovereenkomst had moeten worden hersteld. Volgens hem kan hij alleen in dat geval in staat worden gesteld om zijn diploma in juli 2025 ontvangen.
8.       Naar het oordeel van de Afdeling heeft de Raad van Bestuur navolgbaar toegelicht dat hij een nieuw inschrijvingsbesluit heeft moeten nemen, omdat het niet realistisch is om te verwachten dat [appellant] de opleiding in juli 2025 af zal ronden. Hoewel het zijn wens is om de opleiding in juli 2025 af te ronden, heeft [appellant] bovendien ook zelf in de eerdere e-mail van 18 december 2024 aan de opleiding erkend dat het waarschijnlijk niet haalbaar zal zijn 800 stage-uren af te ronden nadat hij een leerwerkplek zou vinden. Daarbij komt dat hij pas in februari 2025 een leerwerkplek heeft gevonden die hij bovendien vanwege dit geschil heeft opgezegd. Ook moet hij nog onderwijs volgen en verschillende examens halen.
9.       De Afdeling merkt verder nog op dat zij in de uitspraak van 24 juli 2025 het besluit van 30 mei 2024 heeft vernietigd en het uitschrijvingsbesluit van 3 april 2024 herroepen. Anders dan [appellant] meent, heeft de Afdeling daarin niet geoordeeld dat hij in staat moet worden gesteld om per juli 2025 af te studeren of om een diploma te ontvangen. Daarvoor moet hij net als elke andere student het curriculum doorlopen, waar het afronden van een stage bij een leerwerkplek in dit geval onderdeel van is.
10.     Het betoog slaagt niet.
Conclusie
11.     Het beroep is ongegrond.
12.     De Raad van Bestuur hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C. Kouidar, griffier.
w.g. Drop
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Kouidar
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 12 november 2025
1120