AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging afwijzing toeslag voor verlengde asielprocedure op grond van Besluit vergoedingen rechtsbijstand
Appellante heeft verzocht om een toeslag voor werkzaamheden in de verlengde asielprocedure (V.A.-procedure) naast de reeds toegekende vergoeding voor de algemene asielprocedure (A.A.-procedure) op grond van artikel 5a van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand. De raad wees dit verzoek af omdat niet was gebleken dat de procedure volgens de V.A.-procedure was afgehandeld, mede omdat appellante geen V.A.-brief van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) had overlegd.
De rechtbank oordeelde dat de raad het vereiste om een V.A.-brief te overleggen terecht mocht stellen, gelet op de werkinstructie van de raad en de praktijk dat de IND in de meeste gevallen een dergelijke brief verzendt bij overgang naar de V.A.-procedure. Appellante had niet aannemelijk gemaakt dat zij de brief of een verklaring van de IND had opgevraagd. De rechtbank verwierp ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel.
In hoger beroep herhaalde appellante haar standpunten zonder nieuwe argumenten. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bevestigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Hiermee blijft het besluit van de raad dat geen toeslag wordt toegekend gehandhaafd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de toeslag voor de verlengde asielprocedure wordt bevestigd.
Uitspraak
202406167/1/A2.
Datum uitspraak: 12 november 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:57 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
[appellante], kantoorhoudend in [plaats],
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 6 juni 2023 in zaak nr. 22/313 in het geding tussen:
[appellante]
en
het bestuur van de raad voor rechtsbijstand (hierna: de raad).
Procesverloop
Bij besluit van 15 september 2021 heeft de raad een verzoek van [appellante] om herziening van een besluit van 8 januari 2020 afgewezen.
Bij besluit van 28 december 2021 heeft de raad het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 6 juni 2023 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
De raad heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Geen van de partijen heeft binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht op een zitting te worden gehoord, waarna de Afdeling het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, gelezen in verbinding met artikel 8:108, eerste lid, van de Awb heeft gesloten.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellante] heeft verzocht om herziening van een besluit waarbij haar op grond van artikel 5a, eerste lid, van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand (hierna: het Bvr) een vergoeding voor verlening van rechtsbijstand in de algemene asielprocedure (hierna: A.A.-procedure) is toegekend. Zij wil naast deze vergoeding ook een toeslag voor werkzaamheden in de verlengde asielprocedure (hierna: V.A.-procedure) op grond van het tweede lid van deze bepaling. De raad heeft dit verzoek afgewezen, omdat niet is gebleken dat de asielprocedure volgens de V.A.-procedure is afgehandeld. Het geschil gaat over de vraag of de raad zich terecht op dit standpunt heeft gesteld.
2. Artikel 5a, eerste lid, van het Bvr bepaalt dat aan een procedure in het kader van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28, eerste lid, onderdeel a, van de Vreemdelingenwet 2000 een vergoeding wordt toegekend van maximaal 12 punten, afhankelijk van de aard van de verrichte rechtsbijstand. Dit gaat over rechtsbijstand in de A.A.-procedure.
Op grond van het tweede lid wordt een aanvullende vergoeding van twee punten toegekend, indien toepassing wordt gegeven aan artikel 3.116, eerste lid, onderdeel a, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: Vb 2000). Dit gaat over rechtsbijstand in de V.A.-procedure.
3. [appellante] heeft als advocaat rechtsbijstand verleend in een asielzaak op basis van een toevoeging met kenmerk 5DQ0915.
Bij besluit van 8 januari 2020 heeft de raad op grond van artikel 5a, eerste lid, van het Bvr aan [appellante] een vergoeding toegekend voor de door haar verrichte werkzaamheden in de A.A.-procedure. De vergoeding is gebaseerd op twaalf punten, zoals [appellante] in haar declaratie heeft aangevraagd. [appellante] heeft tegen dit besluit geen rechtsmiddel ingezet, zodat dit besluit in rechte onaantastbaar is geworden.
4. Op 28 juni 2021 heeft [appellante] de raad verzocht om het besluit van 8 januari 2020 te herzien en haar naast de toegekende vergoeding op grond van artikel 5a, eerste lid, van het Bvr ook een toeslag op grond van het tweede lid van deze bepaling toe te kennen voor de V.A.-procedure.
Bij het besluit van 15 september 2021 heeft de raad dit verzoek afgewezen, omdat niet is gebleken dat de asielprocedure volgens de V.A.-procedure is afgehandeld.
Bij het besluit op bezwaar van 28 december 2021 heeft de raad de afwijzing gehandhaafd. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat [appellante] niet heeft voldaan aan de in de werkinstructie "artikel 05a Bvr A.A./V.A.-procedure V061 t/m V066" (hierna: de werkinstructie) van de raad opgenomen vereiste dat bij de declaratie een zogenoemde V.A.-brief van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (hierna: IND) moet worden meegestuurd. In een dergelijke brief staat dat de IND de asielprocedure heeft afgehandeld volgens de V.A.-procedure. Volgens de raad betekent de enkele omstandigheid dat de IND de asielaanvraag van rechtzoekende na een gegrond beroep opnieuw moet behandelen niet dat de IND daarmee toepassing heeft gegeven aan artikel 3.116, eerste lid, onderdeel a, van het Vb 2000.
Uitspraak rechtbank
5. De rechtbank heeft geoordeeld dat de raad voor het toekennen van de toeslag het vereiste heeft mogen stellen dat [appellante] bij de declaratie een V.A.-brief van de IND overlegt. De rechtbank heeft daarbij het volgende van belang geacht. Zoals door de raad is gesteld, wordt bij het overgaan van de asielprocedure in een V.A.-procedure in veruit de meeste gevallen een V.A.-brief door de IND verzonden. Als die brief er niet is, neemt de raad genoegen met een verklaring van de IND dat de asielprocedure via de V.A.-procedure is afgedaan of met een beschikking op de asielaanvraag waarin de afdoening via de V.A.-procedure uitdrukkelijk is vermeld. De rechtbank heeft deze op basis van de werkinstructie gebaseerde praktijk niet onredelijk of onzorgvuldig geacht. Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat [appellante] de IND om een V.A.-brief of een verklaring heeft gevraagd. Dat de raad in een andere zaak uit eigen beweging heeft geverifieerd of een procedure via de V.A.-procedure is afgehandeld, maakt dit oordeel niet anders. Zoals de raad op zitting heeft gesteld kan, anders dan in de zaak die [appellante] heeft genoemd, in dit geval uit het besluit waarbij op de asielaanvraag is besloten, niet worden opgemaakt dat de aanvraag evident via de V.A.-procedure is afgehandeld. Daarvoor is ook onvoldoende de enkele stelling van [appellante] dat de asielzaak na een gegrond beroep niet anders dan volgens de V.A.-procedure kan zijn afgehandeld. Naar het oordeel van de rechtbank slaagt alleen al daarom een beroep op het gelijkheidsbeginsel in dit geval niet.
Bespreking hoger beroep
6. De gronden die [appellante] in hoger beroep heeft aangevoerd, zijn zo goed als een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. [appellante] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank dat hiervoor in 5 samengevat is weergegeven.
7. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Jansen, griffier.