Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2025:5470

Raad van State

Datum uitspraak
12 november 2025
Publicatiedatum
12 november 2025
Zaaknummer
202402975/1/A2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 Wet op de rechtsbijstandArt. 32 Wet op de rechtsbijstand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking vergoeding toevoeging wegens ontbreken zelfstandig rechtsbelang

De appellant, een advocaat die deelnam aan het High Trust-programma, kreeg een vergoeding voor twee toevoegingen aan dezelfde rechtzoekende. De Raad voor Rechtsbijstand trok de vergoeding voor de tweede toevoeging in, omdat de werkzaamheden volgens hen onder hetzelfde rechtsbelang vielen en er geen sprake was van diversiteit van procedures zoals bedoeld in de Wet op de rechtsbijstand.

De rechtbank verklaarde het beroep van de appellant ongegrond en de appellant stelde hoger beroep in bij de Raad van State. De Raad van State oordeelde dat de gronden van het hoger beroep niet afweken van het eerdere beroep en dat de rechtbank gemotiveerd had geoordeeld dat de toevoegingen hetzelfde rechtsbelang betroffen.

De Raad van State bevestigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Tevens werd bepaald dat de raad geen proceskosten hoeft te vergoeden. De intrekking van de vergoeding blijft daarmee in stand.

Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de intrekking van de vergoeding bevestigd.

Uitspraak

202402975/1/A2.
Datum uitspraak: 12 november 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], advocaat te Breda,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Oost­Brabant van 15 april 2024 in zaak nr. 23/2815 in het geding tussen:
[appellant]
en
het bestuur van de raad voor rechtsbijstand (hierna: de raad).
Procesverloop
Bij ongedateerd besluit, verzonden op 19 mei 2023, heeft de raad de voor de toevoeging met kenmerk 1JJ8058 vastgestelde vergoeding aan [appellant] van € 1.532,86 ingetrokken en verrekend met zijn rekening-courant.
Bij besluit van 3 oktober 2023 heeft de raad het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 15 april 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De raad heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 14 oktober 2025, waar [appellant] en de raad, vertegenwoordigd door mr. P.S.J. de Koning en mr. C.W. Wijnstra, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1.       [appellant] nam deel aan het High Trust-programma van de raad. Uitgangspunt van dit programma is dat de vraag of een zaak toevoegingswaardig is niet langer door de raad naar aanleiding van een toevoegingsaanvraag, maar door de rechtsbijstandverlener voorafgaand aan het indienen van de aanvraag wordt beoordeeld. Afgegeven toevoegingen en vastgestelde vergoedingen worden vervolgens achteraf steekproefsgewijs gecontroleerd.
2.       [appellant] heeft rechtsbijstand verleend aan [persoon A] (hierna: rechtzoekende). De raad heeft aan rechtzoekende op 12 mei 2021 een toevoeging verstrekt met kenmerk 1JH9064 en op 30 juli 2021 een toevoeging met kenmerk 1JJ8058.
3.       In geschil is of het bij beide toevoegingen gaat om hetzelfde rechtsbelang dan wel belangen die zo nauw met elkaar samenhangen, dat er geen sprake is van een zelfstandig rechtsbelang en of sprake is van diversiteit van procedures als bedoeld in de artikelen 28, eerste lid en onder b, en 32 van de Wet op de rechtsbijstand.
4.       Volgens de raad is uit de stukken gebleken dat rechtzoekende een chalet heeft gekocht van [persoon B] en [persoon C] (hierna: [persoon B en C]) en daarbij voor de (voor)financiering [persoon D] heeft betrokken, dat [persoon D] vervolgens heeft gesteld dat hij eigenaar van het chalet is geworden en dat [persoon B en C] het chalet daarom wilde overdragen aan [persoon D]. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat de verrichte werkzaamheden voor de toevoeging met kenmerk 1JJ8058 onder het bereik van de toevoeging met kenmerk 1JH9064 hadden moeten vallen. Volgens de raad is het rechtsbelang van rechtzoekende onder beide toevoegingen dat zij als koper en eigenaar van het chalet wordt aangemerkt. Dat is het te bereiken doel en beoogde eindresultaat van de verleende rechtsbijstand onder beide toevoegingen. Dat het jegens [persoon B en C] alleen over de overdracht van het chalet ging en er jegens [persoon D] ook nog een discussie liep over de kosten van de verbouwing maakt dit volgens de raad niet anders. Verder is er volgens de raad geen diversiteit van procedures, omdat onder beide toevoegingen sprake was van het voeren van dezelfde procedure bij de rechtbank.
Beoordeling van het hoger beroep
5.       De gronden die [appellant] in hoger beroep aanvoert zijn zo goed als een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. [appellant] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 15 en 16 opgenomen overwegingen. De Afdeling voegt daaraan nog toe dat wat [appellant] verder aanvoert, geen betrekking heeft op dragende overwegingen en niet kan leiden tot vernietiging van de aangevallen uitspraak. De gronden slagen niet.
Conclusie
6.       Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
7.       De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.A. de Vink, griffier.
w.g. Van Altena
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. De Vink
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 12 november 2025
154-1180