Bij besluit van 3 juli 2023 stelde de raad van de gemeente Kaag en Braassem het bestemmingsplan 'Bateweg 25a/25b, Woubrugge' vast, waarin een gebouw met acht appartementen mogelijk wordt gemaakt. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde in een tussenuitspraak dat de raad onterecht stelde dat in voldoende parkeergelegenheid werd voorzien, omdat bij nieuwbouwontwikkeling volgens de Parkeernota tien parkeerplaatsen gerealiseerd moeten worden, terwijl de raad alleen rekening hield met de toename ten opzichte van de bestaande situatie.
De Afdeling stelde dat het besluit van 3 juli 2023 in strijd is met artikel 3:2 enPro 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en gaf de raad opdracht het gebrek binnen 20 weken te herstellen. De raad stelde op 7 juli 2025 een herstelbesluit vast met een herziene Parkeernota, waarin onderscheid wordt gemaakt tussen verschillende typen ontwikkelingen en bij herstructurering alleen de toename van de parkeerbehoefte wordt meegewogen.
Appellanten maakten geen gebruik van de mogelijkheid tot het indienen van zienswijzen tegen het herstelbesluit. De Afdeling verklaarde het beroep tegen het herstelbesluit ongegrond en vernietigde het oorspronkelijke besluit van 3 juli 2023. Tevens werd het betaalde griffierecht aan appellanten vergoed.
Uitkomst: Het oorspronkelijke bestemmingsplan wordt vernietigd, het herstelbesluit wordt bevestigd en het beroep daarop ongegrond verklaard.
Uitspraak
202305432/2/R3.
Datum uitspraak: 12 november 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant] en anderen, wonend in Woubrugge, gemeente Kaag en Braassem,
appellanten,
en
de raad van de gemeente Kaag en Braassem,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 3 juli 2023 heeft de raad het bestemmingsplan "Bateweg 25a/25b, Woubrugge" vastgesteld.
Bij tussenuitspraak van 12 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:994, heeft de Afdeling de raad opgedragen om het daarin omschreven gebrek in het besluit van 3 juli 2023 te herstellen, met inachtneming van wat over dat gebrek in de tussenuitspraak is overwogen.
Ter uitvoering van de uitspraak heeft de raad bij besluit van 7 juli 2025 (hierna: herstelbesluit) het bestemmingsplan "Bateweg 25a/25b, Woubrugge" opnieuw en gewijzigd vastgesteld.
[appellant] en anderen zijn in de gelegenheid gesteld een zienswijze naar voren te brengen over de wijze waarop het gebrek is hersteld. Zij hebben van die gelegenheid geen gebruik gemaakt.
Met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder d, en derde lid van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) heeft de Afdeling bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.
Overwegingen
Inleiding
1. Bij besluit van 3 juli 2023 heeft de raad het bestemmingsplan "Bateweg 25a/25b, Woubrugge" vastgesteld. Het plan maakt een gebouw mogelijk voor acht appartementen in drie bouwlagen aan de Bateweg 25a en 25b in Woubrugge. Daarvoor wordt een bestaand gebouw gesloopt.
Tussenuitspraak
2. In de tussenuitspraak heeft de Afdeling geoordeeld dat de raad zich niet onder verwijzing naar de Nota Parkeernormen 2018 (hierna: Parkeernota) op het standpunt heeft mogen stellen dat in voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien. Daarvoor heeft de Afdeling het volgende overwogen.
Onder 6.1 van de tussenuitspraak is overwogen dat om te borgen dat in voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien in artikel 8.1, onder a, van de planregels van het bij besluit van 3 juli 2023 vastgestelde plan is bepaald dat voorzien moet worden in voldoende parkeergelegenheid overeenkomstig de Parkeernota.
Onder 6.3 van de tussenuitspraak is overwogen dat volgens de plantoelichting aan de Parkeernota is getoetst. Ook staat in deze overweging dat niet tussen partijen in geschil is dat op grond van de in bijlage 2 van de Parkeernota opgenomen parkeernormen voor de te realiseren appartementen in totaal tien parkeerplaatsen nodig zijn. In de plantoelichting is er vanuit gegaan dat moet worden voorzien in de toename van de parkeerbehoefte ten opzichte van de bestaande situatie. Uitgegaan is van een parkeerbehoefte van acht parkeerplaatsen voor de bestaande situatie. Deze parkeerplaatsen blijven gehandhaafd. Dat betekent volgens de plantoelichting dat er nog ruimte voor twee parkeerplaatsen moet worden gezocht.
Onder 6.5 van de tussenuitspraak heeft de Afdeling overwogen dat naar het oordeel van de Afdeling sprake is van een nieuwbouwontwikkeling als bedoeld in artikel 1 vanPro de Parkeernota en niet van een functiewijziging als bedoeld in deze bepaling, waar de raad vanuit is gegaan.
Onder 6.6 van de tussenuitspraak is overwogen dat de Afdeling het standpunt van de raad dat het gemeentelijk parkeerbeleid er niet aan in de weg staat dat bij nieuwbouwontwikkelingen alleen rekening wordt gehouden met de toename van de parkeerbehoefte ten opzichte van de bestaande situatie niet volgt. De Afdeling heeft overwogen dat uit artikel 3, onder a, gelezen in samenhang met het bepaalde onder f, van de Parkeernota volgt dat bij nieuwbouw volgens de berekende parkeerbehoefte tien nieuwe parkeerplaatsen moeten worden gerealiseerd. Ook is overwogen dat niet is toegekomen aan de beantwoording van de vraag of de raad de parkeerbehoefte van de bestaande situatie op de juiste wijze heeft bepaald, omdat dit bij een nieuwbouwontwikkeling als bedoeld in de Parkeernota niet relevant is.
De Afdeling heeft vervolgens onder 6.7 geconcludeerd dat de raad zich niet onder verwijzing naar de Parkeernota op het standpunt heeft mogen stellen dat in voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien.
3. De Afdeling heeft daarom geoordeeld dat het besluit van 3 juli 2023 in strijd is met artikel 3:2 enProartikel 3:46 vanPro de Awb. Vervolgens heeft de Afdeling onder 8 en 9 van de tussenuitspraak de raad opgedragen om het onder 6.7 geconstateerde gebrek in het besluit binnen 20 weken na verzending van de uitspraak te herstellen.
Het herstelbesluit
4. De raad heeft ter uitvoering van de tussenuitspraak bij het herstelbesluit het bestemmingsplan opnieuw vastgesteld en gewijzigd.
Het herstelbesluit is op grond van artikel 6:19 vanPro de Awb mede onderwerp van het geding. Het beroep van [appellant] en anderen is van rechtswege mede gericht tegen dit besluit.
5. Bij het herstelbesluit is artikel 8.1, onder a, van de planregels gewijzigd. In artikel 8.1, onder a, van de planregels is nu bepaald dat voorzien moet worden in voldoende parkeergelegenheid overeenkomstig de "Herziening Nota Parkeernormen 2018", die als bijlage 1 bij de regels is opgenomen, of de rechtsopvolger(s) daarvan.
In paragraaf 3.2.2.1 van de plantoelichting is een motivering van deze wijziging opgenomen. Daarin staat dat de bedoeling van het door de raad toegepaste parkeerbeleid was, en is, dat bij het bepalen van de parkeerbehoefte van een ontwikkeling uitsluitend rekening wordt gehouden met de toename van de parkeerbehoefte als gevolg van het te realiseren bouwplan. Omdat uit de tussenuitspraak volgt dat dit niet zo in de Parkeernota is bepaald, heeft de raad op 3 juni 2025 een wijziging van deze Parkeernota, de "Herziening Nota Parkeernormen 2018" (hierna: herziene Parkeernota), vastgesteld. Volgens de raad wordt in voldoende parkeergelegenheid voorzien overeenkomstig de herziene Parkeernota.
In de herziene Parkeernota wordt onderscheid gemaakt tussen vier type ontwikkelingen, te weten functiewijziging, uitbreidingsontwikkeling, herstructurering en nieuwbouwontwikkeling. De begripsomschrijvingen van deze ontwikkelingen zijn opgenomen in artikel 1 vanPro de herziene Parkeernota. In paragraaf 3.2.2.1 van de plantoelichting staat dat in dit geval sprake is van herstructurering als bedoeld in artikel 1 vanPro de herziene Parkeernota. In dit artikel is bepaald dat onder herstructurering wordt verstaan het slopen van een bestaand gebouw/bebouwing en het realiseren van een nieuw gebouw/bebouwing op diezelfde locatie met een gelijkwaardige of andere functie. In artikel 3, onder b, van de herziene Parkeernota is bepaald dat bij herstructurering bij het berekenen van de parkeerbehoefte uitsluitend rekening moet worden gehouden met de toename van de parkeerbehoefte als gevolg van de te realiseren herstructurering.
6. In paragraaf 3.2.2.1 van de plantoelichting staat dat voor het bepalen van de bestaande parkeerbehoefte is gekeken naar de feitelijke voormalige functie. Volgens paragraaf 3.2.1 hoort daarbij een parkeerbehoefte van acht parkeerplaatsen. Omdat voor de te realiseren appartementen in totaal tien parkeerplaatsen nodig zijn, zouden dan op grond van de herziene Parkeernota nog twee parkeerplaatsen moeten worden gerealiseerd. Volgens paragraaf 3.2.1 van de plantoelichting kunnen twee parkeerplaatsen worden gerealiseerd ten noorden van de Bateweg 16a. Daarnaast staat in paragraaf 3.2.2.1 van de plantoelichting dat als wordt uitgegaan van de ter plaatse voorheen geldende maatschappelijke bestemming, in plaats van de feitelijke voormalige functie, sprake is van een bestaande parkeerbehoefte van 13 parkeerplaatsen. Dat zou betekenen dat er bij de nieuwe parkeerbehoefte van tien parkeerplaatsen een overschot van drie parkeerplaatsen zou ontstaan.
Het voorgaande betekent volgens de plantoelichting dat er voldoende parkeergelegenheid is voor de acht appartementen.
7. [appellant] en anderen hebben naar aanleiding van het herstelbesluit geen zienswijze ingediend. De Afdeling leidt hieruit af dat [appellant] en anderen geen bezwaren hebben tegen het herstelbesluit. Het van rechtswege ontstane beroep tegen het herstelbesluit is daarom ongegrond.
Conclusie
8. Uit wat in de tussenuitspraak is overwogen volgt dat het beroep van [appellant] en anderen tegen het besluit van 3 juli 2023 gegrond is. Dit besluit moet daarom wegens strijd met artikel 3:2 enProartikel 3:46 vanPro de Awb worden vernietigd. Het beroep van rechtswege tegen het herstelbesluit van 7 juli 2025, waarbij het bestemmingsplan opnieuw en gewijzigd is vastgesteld, is ongegrond.
9. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen is niet gebleken.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het beroep van [appellant] en anderen tegen het besluit van de raad van de gemeente Kaag en Braassem van 3 juli 2023 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Bateweg 25a/25b, Woubrugge" gegrond;
II. vernietigt het onder I. genoemde besluit van de raad van de gemeente Kaag en Braassem van 3 juli 2023;
III. verklaart het beroep van [appellant] en anderen tegen het besluit van de raad van de gemeente Kaag en Braassem van 7 juli 2025 ongegrond;
IV. gelast dat de raad van de gemeente Kaag en Braassem aan [appellant] en anderen het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 184,00 vergoedt, met dien verstande dat bij betaling aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.
Aldus vastgesteld door mr. A.B. Blomberg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. F.C. van Zuijlen, griffier.