ECLI:NL:RVS:2025:5493

Raad van State

Datum uitspraak
12 november 2025
Publicatiedatum
12 november 2025
Zaaknummer
202500134/1/A3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 WpbrArt. 8:109 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking toestemming beveiligingswerk wegens twijfel aan betrouwbaarheid na vrijspraak

Night & Day Security B.V. had toestemming om een persoon beveiligingswerkzaamheden te laten verrichten. Deze persoon, tevens taxichauffeur, werd beschuldigd van mishandeling na een incident in een taxi. De korpschef trok de toestemming in op grond van twijfel aan de betrouwbaarheid, mede gebaseerd op de strafrechtelijke vervolging.

De strafrechter sprak de betrokkene vrij wegens gebrek aan overtuigend bewijs. De rechtbank verklaarde het beroep van de betrokkene gegrond en vernietigde het intrekkingsbesluit, omdat de korpschef geen aanvullende informatie had overgelegd en onvoldoende had gemotiveerd waarom de betrouwbaarheid niet boven twijfel verheven zou zijn.

De korpschef stelde in hoger beroep dat hij een eigen beoordeling mocht maken van de betrouwbaarheid op basis van de strafrechtelijke bewijsmiddelen, ook bij een vrijspraak. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde echter dat een gemotiveerde vrijspraak zwaar weegt en dat de korpschef extra zwaar moet motiveren waarom de betrouwbaarheid alsnog onvoldoende is.

De Afdeling verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. De korpschef werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Uitkomst: De Raad van State bevestigt dat de korpschef de toestemming niet mocht intrekken zonder voldoende motivering na een gemotiveerde strafrechtelijke vrijspraak.

Uitspraak

202500134/1/A3.
Datum uitspraak: 12 november 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
de korpschef van politie,
appellant,
tegen de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag (hierna: de rechtbank) van 25 november 2024 in zaak nr. 24/8762 in het geding tussen:
[wederpartij], wonend in [woonplaats],
en
de korpschef.
Procesverloop
Bij besluit van 17 juni 2024 heeft de korpschef de aan Night & Day Security B.V. verleende toestemming om [wederpartij] beveiligingswerkzaamheden voor haar te laten verrichten, ingetrokken.
Bij besluit van 31 oktober 2024 heeft de korpschef het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij mondelinge uitspraak van 25 november 2024 heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 31 oktober 2024 vernietigd, het besluit van 17 juni 2024 herroepen en bepaald dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.
Tegen deze uitspraak heeft de korpschef hoger beroep ingesteld.
[wederpartij] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 1 oktober 2025, waar de korpschef, vertegenwoordigd door mr. F.H.G. Frielink en mr. K. Wouda, en [wederpartij], bijgestaan door mr. A. Karacelik, advocaat in Rotterdam, zijn verschenen.
Overwegingen
Wettelijk kader
1.       De voor deze zaak van belang zijnde bepalingen zijn opgenomen in de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.
Inleiding
2.       Night & Day Security B.V. had toestemming van de korpschef om [wederpartij] beveiligingswerkzaamheden voor haar te laten verrichten. [wederpartij] was behalve beveiliger ook taxichauffeur. In de nacht van 24 op 25 maart 2024 heeft [wederpartij] als taxichauffeur twee passagiers vervoerd. Een van de passagiers heeft overgegeven in de taxi. Na een discussie over schoonmaakkosten voor de taxi zou [wederpartij] die passagier een klap hebben gegeven.
Besluitvorming
2.1.    De korpschef heeft de toestemming als bedoeld in artikel 7, vijfde lid, van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus (hierna: de Wpbr) ingetrokken, omdat [wederpartij] volgens hem niet meer beschikt over de betrouwbaarheid die nodig is voor het te verrichten beveiligerswerk. De korpschef heeft aan zijn besluit ten grondslag gelegd dat het Openbaar Ministerie (hierna: het OM) [wederpartij] heeft vervolgd voor mishandeling. De korpschef heeft ook de aangifte tegen [wederpartij] en een getuigenverklaring over het incident aan het besluit ten grondslag gelegd. Op 20 september 2024 is [wederpartij] vrijgesproken door de strafrechter. In het besluit van 31 oktober 2024 heeft de korpschef de intrekking toch gehandhaafd. De korpschef vindt dat de verdenking dat [wederpartij] zich schuldig heeft gemaakt aan mishandeling, de aangifte, de getuigenverklaring en de vervolgingsbeslissing op zichzelf al voldoende zijn voor het oordeel dat de betrouwbaarheid niet boven iedere twijfel is verheven. De intrekking is in dit geval een noodzakelijke en passende maatregel, aldus de korpschef.
Uitspraak van de rechtbank
3.       De rechtbank heeft het beroep van [wederpartij] gegrond verklaard. De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat de strafrechter met de vrijspraak alle bewijsmiddelen heeft beoordeeld die ook ten grondslag liggen aan het bestreden besluit. De korpschef heeft geen aanvullende informatie overgelegd. De korpschef heeft daarom de toestemming niet mogen intrekken, aldus de rechtbank.
Beoordeling van het hoger beroep
4.       De korpschef is het oneens met het oordeel van de rechtbank. Hij stelt zich op het standpunt dat de rechtbank eraan is voorbijgegaan dat hij in dit geval een eigen beoordeling mocht maken van de betrouwbaarheid van [wederpartij] op grond van de in het strafproces ingebrachte bewijsmiddelen. Hiertoe voert hij aan dat uit de in hoger beroep overgelegde aantekening mondeling vonnis blijkt dat de strafrechter [wederpartij] heeft vrijgesproken omdat weliswaar wettige bewijsmiddelen zijn ingebracht, maar dat de overtuiging ontbrak dat hij schuldig is aan het tenlastegelegde. Voor een veroordeling is wettig en overtuigend bewijs nodig. Dat de strafrechter niet de overtuiging had dat [wederpartij] schuldig was, betekent niet dat de korpschef hem hierin moet volgen. Volgens de korpschef mag hij de in het strafproces ingebrachte bewijsmiddelen zelfstandig beoordelen en dat heeft hij ook gedaan. Op grond van deze bewijsmiddelen mocht hij het standpunt innemen dat [wederpartij] niet meer beschikt over de betrouwbaarheid die nodig is voor het te verrichten beveiligerswerk. De rechtbank heeft dit niet onderkend, aldus de korpschef.
4.1.    De Afdeling stelt vast dat de strafrechter heeft gemotiveerd waarom hij [wederpartij] heeft vrijgesproken. In hoger beroep heeft [wederpartij] een proces-verbaal inhoudende de aantekening mondeling vonnis overgelegd van de mondelinge uitspraak van de strafrechter. Hieruit blijkt dat die niet de overtuiging heeft verkregen dat [wederpartij] de tenlastegelegde mishandeling heeft begaan. De strafrechter heeft zich met de vrijspraak een oordeel gevormd over alle bewijsmiddelen die de korpschef ook ten grondslag heeft gelegd aan het bestreden besluit ter onderbouwing van zijn standpunt dat de betrouwbaarheid van [wederpartij] niet boven iedere twijfel is verheven. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling werpt de vrijspraak nader licht op deze feiten en vormt de vrijspraak een bewijsstuk over deze feiten. Een vrijspraak hoeft niet altijd af te doen aan het oordeel van een bestuursorgaan, bijvoorbeeld als de vrijspraak ongemotiveerd is. De vrijspraak is in dit geval echter wel gemotiveerd, er blijkt uit dat de strafrechter niet tot de overtuiging is gekomen dat [wederpartij] de ten laste gelegde mishandeling heeft begaan. In dat geval dient de korpschef nader te motiveren waarom een betrokkene desalniettemin niet over de vereiste mate van betrouwbaarheid beschikt. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 24 november 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2623. Bovendien blijkt uit paragraaf 3.3. van de Beleidsregels particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus 2019 dat een vrijspraak extra zware eisen stelt aan de motivering van de korpschef. De korpschef heeft zich in zijn beoordeling uitsluitend gebaseerd op de vervolging door het OM, de aangifte en de getuigenverklaring. Hij heeft verder verklaard dat er geen aanvullende informatie is. De Afdeling is dan ook met de rechtbank van oordeel dat de korpschef niet voldoende heeft gemotiveerd dat [wederpartij] niet over de nodige betrouwbaarheid beschikt. De korpschef had de toestemming niet mogen intrekken.
Het betoog slaagt niet.
Slotsom
5.       Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
6.       De korpschef moet de proceskosten vergoeden.
7.       Gelet op artikel 8:109, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt van de korpschef griffierecht geheven.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        bevestigt de uitspraak van de rechtbank;
II.       veroordeelt de korpschef van politie tot vergoeding van de bij [wederpartij] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.814,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
III.      bepaalt dat de korpschef van politie een griffierecht van € 579,00 wordt geheven.
Aldus vastgesteld door mr. J.M. Willems, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W. Dijkshoorn, griffier.
w.g. Willems
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Dijkshoorn
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 12 november 2025
735-1166
BIJLAGE
Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus
Artikel 7
1 […]
2 Een beveiligingsorganisatie of recherchebureau als bedoeld in het eerste lid stelt geen personen te werk die belast zullen worden met werkzaamheden, anders dan bedoeld in het eerste lid, dan nadat voor hen toestemming is verkregen van de korpschef. Indien de beveiligingsorganisatie of het recherchebureau dan wel een onderdeel daarvan is gevestigd op een luchtvaartterrein, wordt de toestemming, bedoeld in de eerste volzin, verleend door de commandant van de Koninklijke marechaussee.
3 […]
4 […]
5. De toestemming, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid kan worden ingetrokken indien zich omstandigheden voordoen of feiten bekend worden op grond waarvan de toestemming niet zou zijn verleend, indien zij zich hadden voorgedaan of bekend waren geweest op het tijdstip waarop de toestemming werd verleend.
Beleidsregels particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus 2019
3.3. Betrouwbaarheid personeel en leidinggevenden
[…]
Andere rechterlijke uitspraken dan veroordelingen
Met betrekking tot rechterlijke uitspraken die niet tot een veroordeling hebben geleid, kan gedacht worden aan zaken waarbij het tot een vrijspraak is gekomen wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs.
Die situatie zal in het algemeen minder snel aanknopingspunten bieden om een toestemming te weigeren. Een vrijspraak wil echter niet zonder meer zeggen dat de verdachte het feit niet heeft gepleegd, maar dat de rechter niet voldoende bewezen acht dat de verdachte het feit gepleegd heeft. De korpschef kan in bepaalde gevallen ook na een vrijspraak nog altijd reden hebben om de persoon waarvoor toestemming wordt gevraagd niet betrouwbaar te achten. In het algemeen is het wel zo dat een vrijspraak extra zware eisen zal stellen aan de motivering van de weigering van de toestemming.