BRS.25.000896
Datum uitspraak: 14 november 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 18 juli 2025 in zaak nr. NL25.28192 in het geding tussen:
[de betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 25 juni 2025 heeft de minister een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 18 juli 2025 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. E. Derksen, advocaat in Velp, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1. Betrokkene is in het kader van een eerdere Dublinprocedure door Duitsland overgedragen aan Spanje. Vervolgens heeft betrokkene zich op 24 april 2025 in Nederland gemeld en de huidige asielaanvraag ingediend. De minister heeft deze asielaanvraag niet in behandeling genomen, omdat Spanje daarvoor verantwoordelijk is op grond van artikel 13, eerste lid, van de Dublinverordening.
2. De minister komt in haar eerste grief terecht op tegen het oordeel van de rechtbank dat zij geen gewicht heeft toegekend aan de verklaringen van betrokkene over zijn persoonlijke ervaringen nadat hij door de Duitse autoriteiten was overgedragen aan Spanje. De minister heeft in het besluit namelijk toegelicht dat betrokkene heeft verklaard dat hij na aankomst geen opvang aangeboden heeft gekregen, op straat heeft moeten overnachten en geen asielaanvraag heeft kunnen indienen. In dit verband heeft de minister erop gewezen dat betrokkene deze stellingen niet nader heeft toegelicht of heeft onderbouwd met documenten. Dat betrokkene naar hij stelt wel documenten heeft gehad, maar heeft weggegooid, komt in dit verband voor zijn risico. Ook heeft de minister bij de beoordeling betrokken dat betrokkene bij voorkomende problemen dient te klagen bij de Spaanse autoriteiten en dat niet gebleken is dat dit voor hem bij voorbaat zinloos of onmogelijk is. Uit de verklaringen van betrokkene volgt dat niet. Dit in aanmerking nemend heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat betrokkene niet aannemelijk heeft gemaakt dat Spanje zijn internationale verplichtingen tegenover hem niet zal nakomen en dat de minister niet meer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan. De rechtbank heeft dit niet onderkend. De grief slaagt.
3. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Het is niet nodig wat de minister verder heeft aangevoerd te bespreken. Omdat er geen beroepsgronden zijn die de rechtbank niet heeft besproken, is het beroep alsnog ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 18 juli 2025 in zaak nr. NL25.28192;
III. verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzitter, en mr. J.M. Willems en mr. M.J.M. Ristra-Peeters, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.C.S. Heinen, griffier.
w.g. Sevenster
voorzitter
w.g. Heinen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 14 november 2025
986