ECLI:NL:RVS:2025:5585
Raad van State
- Hoger beroep
- M. den Heyer
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verblijfsvergunning asiel voor appellant na eerdere afwijzing door rechtbank
Op 19 november 2025 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State uitspraak gedaan in het hoger beroep van een appellant die een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd had aangevraagd. De aanvraag was eerder op 6 november 2023 afgewezen door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. De rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, had op 15 mei 2024 het beroep van de appellant tegen deze afwijzing ongegrond verklaard. De appellant, vertegenwoordigd door mr. H.C. van Asperen, heeft hiertegen hoger beroep ingesteld.
In de overwegingen van de uitspraak werd ingegaan op eerdere rechtspraak, waarin was geoordeeld dat vreemdelingen die in een westers land hebben verbleven, niet automatisch een reëel risico op ernstige schade lopen bij terugkeer naar Afghanistan. Het betoog van de appellant dat hij vanwege zijn verblijf in het Westen een reëel risico loopt, werd verworpen. De Afdeling oordeelde dat de argumenten van de appellant niet voldoende waren om de uitspraak van de rechtbank te vernietigen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard, en de Afdeling bevestigde de eerdere uitspraak van de rechtbank. De minister van Asiel en Migratie werd niet verplicht om proceskosten te vergoeden.
De uitspraak is gedaan met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, en is openbaar uitgesproken op 19 november 2025.