Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2025:5591

Raad van State

Datum uitspraak
6 november 2025
Publicatiedatum
19 november 2025
Zaaknummer
202405526/1/A2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Mondelinge uitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 131 Wegenverkeerswet 1994Art. 8:67 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging bevoegdheid CBR tot opleggen onderzoek rijgeschiktheid ondanks termijnoverschrijding

Deze zaak betreft het hoger beroep van appellant tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam inzake het opleggen van een onderzoek naar rijgeschiktheid door het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR).

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft overwogen dat het overschrijden van de termijn van vier weken, zoals genoemd in artikel 131, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994, niet leidt tot onbevoegdheid van het CBR om het onderzoek op te leggen. Appellant heeft geen concrete argumenten aangevoerd die deze jurisprudentie zouden weerleggen.

Feiten uit het proces-verbaal tonen aan dat appellant een gevaarlijke situatie op de A16 heeft veroorzaakt en een alcoholgehalte van 565 µg/l in het bloed had. Het CBR mocht hieruit een vermoeden van ongeschiktheid afleiden en was gebonden om het onderzoek op te leggen. De Afdeling oordeelt dat de door appellant aangevoerde bijzondere omstandigheden, zoals een posttraumatische-stressstoornis en sociaal isolement, niet leiden tot een onevenredig nadeel dat het opleggen van het onderzoek zou moeten verhinderen.

De Afdeling bevestigt daarom de uitspraak van de rechtbank en wijst het hoger beroep af. Tevens wordt geen proceskostenvergoeding toegekend.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het CBR is bevoegd het onderzoek naar rijgeschiktheid op te leggen ondanks termijnoverschrijding.

Uitspraak

202405526/1/A2.
Datum uitspraak: 6 november 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 19 juli 2024 in zaak nr. 23/8374 in het geding tussen:
[appellant]
en
het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: het CBR).
Openbare zitting gehouden op 6 november 2025 om 10:15 uur.
Tegenwoordig:
Staatsraad: mr. W. den Ouden, voorzitter;
Griffier: mr. M. Schuurman.
Verschenen:
Het CBR, vertegenwoordigd door mr. M.M. Kleijbeuker.
Het hoger beroep richt zich tegen de uitspraak van 19 juli 2024 van de rechtbank Rotterdam.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Gronden:
•        De Afdeling heeft in meerdere uitspraken, onder verwijzing naar de wetsgeschiedenis, overwogen dat het overschrijden van de termijn van vier weken na ontvangst van de mededeling van de politie, die is opgenomen in artikel 131, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994, niet betekent dat het CBR onbevoegd is om een onderzoek naar de geschiktheid op te leggen.
•        [appellant] heeft niet aangevoerd waarom dat onjuist is.
•        In de processen-verbaal van de verbalisant is opgenomen dat [appellant] telefonisch heeft verkondigd dat hij met zijn auto dwars op de A16 zou gaan staan, omdat hij het leven niet meer zag zitten, hij ruim een halfuur later achter het stuur zat van zijn stilstaande auto op een vluchtstrook van de A16, aanvankelijk verklaarde dat hij zelf had gereden en dat er geen andere personen bij zijn auto zijn waargenomen. Bij het bloedonderzoek is een alcoholgehalte van 565 µg/l (microgram per liter) gemeten.
•        Het CBR mocht hieraan een vermoeden van ongeschiktheid ontlenen.
•        Dit betekent dat het CBR gehouden is om het onderzoek naar de geschiktheid op te leggen.
•        Omdat het gaat om een gebonden bevoegdheid, is in beginsel de evenredigheid van het besluit gegeven. Wel moet het CBR beoordelen of er bijzondere omstandigheden zijn die maken dat de voor [appellant] nadelige gevolgen van uitoefening van deze bevoegdheid zozeer onevenwichtig zijn, dat toepassing van het algemeen verbindende voorschrift waarop die bevoegdheid berust in het voorliggende geval achterwege moet blijven. Zie de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 24 december 2024, ECLI:NL:CBB:2024:927, r.o. 8.1.
•        De invloed op de posttraumatische-stressstoornis van [appellant] en zijn sociaal isolement zijn naar het oordeel van de Afdeling geen bijzondere omstandigheden die maken dat het opleggen van het onderzoek naar de geschiktheid leidt tot onevenredig nadelige gevolgen voor [appellant].
•        Het CBR hoeft geen proceskosten te vergoeden.
w.g. Den Ouden
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Schuurman
griffier
1100