AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Ongegrond beroep tegen wijziging bestemmingsplan Koevoortseweg Boxtel voor ruimte-voor-ruimte woningen en bijgebouwen
De raad van de gemeente Boxtel heeft het bestemmingsplan 'Koevoortseweg' gewijzigd vastgesteld, waarbij twee bedrijfswoningen worden omgezet naar reguliere woningen en twee ruimte-voor-ruimte woningen worden mogelijk gemaakt, inclusief de bouw van bijgebouwen. Appellant, wonend naast het plangebied, betwist deze vaststelling vanwege vermeende onevenredige tegemoetkoming aan partij en aantasting van zijn uitzicht.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft het beroep behandeld en beoordeeld aan de hand van het recht dat gold vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet. De bezwaren van appellant richten zich op de ruimte-voor-ruimte woningen en de omvang en situering van de bijgebouwen. De Afdeling oordeelt dat de gesloopte bedrijfsbebouwing en de ruimte-voor-ruimte woningen losstaande regelingen betreffen en dat de raad terecht heeft geoordeeld dat de ontwikkeling past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied, mede gezien de versterking van natuurwaarden en vermindering van verstening.
Verder is vastgesteld dat de provincie betrokken is geweest bij het opstellen van de ontwikkelingsrichting en dat de locatie van de ruimte-voor-ruimte woningen binnen een bebouwingscluster ligt. Ten aanzien van de bijgebouwen is geoordeeld dat de omvang en situering ruimtelijk aanvaardbaar zijn en dat de planregels omtrent bijgebouwen correct zijn toegepast. Het beroep wordt ongegrond verklaard en de raad hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het beroep tegen het gewijzigde bestemmingsplan 'Koevoortseweg' wordt ongegrond verklaard.
Uitspraak
202307756/1/R2.
Datum uitspraak: 19 november 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant], wonend in Boxtel,
appellant,
en
de raad van de gemeente Boxtel,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 12 september 2023 heeft de raad het bestemmingsplan "Koevoortseweg" gewijzigd vastgesteld.
Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.
De raad heeft een verweerschrift ingediend.
[partij] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellant] heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak behandeld op de zitting van 17 juli 2025, waar [appellant], bijgestaan door mr. H.P.J.G. Berkers, rechtsbijstandverlener in Amsterdam, en de raad, vertegenwoordigd door D.A.G. Costner en mr. L. Vugts-Xia, zijn verschenen. Ook is op de zitting [partij], bijgestaan door mr. W. Koster, rechtsbijstandverlener in Tilburg, als partij gehoord.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is.
Het ontwerpplan is op 16 maart 2023 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.
Inleiding
2. Het bestemmingsplan voorziet in de mogelijkheid om twee bedrijfswoningen om te zetten naar twee reguliere woningen, inclusief de bouw van twee bijgebouwen. Ook maakt het bestemmingsplan twee ruimte-voor-ruimte woningen mogelijk, door aan een deel van de gronden in het plangebied de bestemming "Wonen" toe te kennen. Een deel van die gronden krijgt ook de functieaanduiding "specifieke vorm van wonen - ruimte voor ruimte". Voor de sanering van het agrarische bedrijf dat gevestigd is in het plangebied aan de [locatie 1] is gebruik gemaakt van de "Subsidieregeling sanering varkenshouderijen".
[appellant] woont naast het plangebied aan de [locatie 2] en is het niet eens met de vaststelling van het plan. Hij is van mening dat sprake is van een onevenredige tegemoetkoming aan [partij] en vreest dat zijn uitzicht door het plan wordt aangetast.
Wettelijk kader
3. De relevante wettelijke bepalingen en planregels zijn opgenomen in de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.
Toetsingskader
4. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen.
Ingetrokken beroepsgronden
5. [appellant] heeft zijn beroepsgronden over het omzetten van twee bedrijfswoningen naar twee reguliere woningen op de zitting ingetrokken. Dat betekent dat zijn beroep zich alleen nog richt tegen de twee ruimte-voor-ruimte woningen en het bijgebouw achter zijn woning die met het bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt.
Zijn de ruimte-voor-ruimte woningen in strijd met gemeentelijke en provinciale regelgeving?
6. [appellant] betoogt dat de twee ruimte-voor-ruimte woningen die het bestemmingsplan mogelijk maakt in strijd zijn met gemeentelijke en provinciale regelgeving.
Daarover voert hij ten eerste aan dat geen sprake is van een kwaliteitsverbetering, maar van een verslechtering van de kwaliteit. Op de zitting heeft [appellant] zijn betoog verder geconcretiseerd, in die zin dat hij stelt dat het in strijd is met het doel en de strekking van de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant (hierna: IOV) dat de gesubsidieerde sloop van de bedrijfsgebouwen door [partij] is ingezet als tegenprestatie om de ruimte-voor-ruimte woningen mogelijk te maken. Daardoor ontbreekt volgens [appellant] ten onrechte de vereiste tegenprestatie en wordt [partij] ten onrechte extra financieel gecompenseerd met de ruimte-voor-ruimte woningen. Ter onderbouwing van de stelling dat het niet is toegestaan een dubbele vergoeding te krijgen bij de sloop van ruimte-voor-ruimte-woningen heeft hij op de zitting verwezen naar de uitspraken van de Afdeling van 12 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:452 onder 18.3, en 20 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2042 onder 8.3.
Verder passen de ruimte-voor-ruimte woningen volgens [appellant], in strijd met artikel 3.79, eerste lid, aanhef en onder c, van de IOV, niet binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied, zoals bedoeld in artikel 3.77 van de IOV. De ontwikkelingsrichting van het gebied is volgens [appellant] gericht op het voorkomen van verstening en behoud en herstel van natuur. De vestiging van nieuwe woningen is daarmee in strijd.
Daarnaast voert [appellant] aan dat sprake is van strijd met artikel 3.77, tweede lid, van de IOV, omdat bij het opstellen van de ontwikkelingsrichting van het gebied geen deskundige betrokken is die werkzaam is bij de provincie Noord-Brabant.
Ook zijn volgens [appellant] de ruimte-voor-ruimte woningen in strijd met de "Structuurvisie verfrissend Boxtel 2011" niet in een bebouwingscluster gelegen.
- Is de sloop van bedrijfsbebouwing dubbel ingezet?
6.1. Het betoog van [appellant] dat de gesubsidieerde sloop van de bedrijfsgebouwen ten onrechte is ingezet om de ruimte-voor-ruimte woningen mogelijk te maken, waardoor sprake is van strijd is met het doel en de strekking van de IOV, treft naar het oordeel van de Afdeling geen doel. De gesloopte bedrijfsbebouwing in het plangebied is niet ingezet om de twee ruimte-voor-ruimte woningen mogelijk te maken. Tussen de deelname aan de subsidieregeling voor de sloop van de bedrijfsbebouwing en de aangekochte certificaten voor de ruimte-voor-ruimte woningen bestaat geen relatie. Het gaat om twee losstaande regelingen waaraan is deelgenomen door [partij]. De bedrijfsbebouwing in het plangebied is gesloopt met deelname aan de "Subsidieregeling sanering varkenshouderijen". Voor het realiseren van de twee ruimte-voor-ruimte woningen die het plan mogelijk maakt, heeft [partij] twee certificaten aangekocht van de Ontwikkelingsmaatschappij ruimte voor ruimte II. Die certificaten zien op de in het verleden behaalde aanzienlijke winst van omgevingskwaliteit op een andere locatie. De Afdeling ziet in het betoog van [appellant] geen grond voor het oordeel dat de raad zich niet op het standpunt mocht stellen dat de certificaten het bewijs opleveren dat de winst van omgevingskwaliteit op een andere locatie in het verleden is behaald. Van strijd met het doel en de strekking van de IOV is niet gebleken.
De Afdeling overweegt dat de door [appellant] genoemde uitspraken in dit geval niet relevant zijn. De uitspraak van 12 februari 2020 gaat namelijk over een voorwaarde uit de stalderingsregeling uit artikel 26.1 van de provinciale Verordening ruimte Noord-Brabant en de uitspraak van 20 juli 2016 gaat niet over een situatie waarin gebruik gemaakt was van twee losstaande regelingen voor de sloop van bedrijfsbebouwing en het realiseren van ruimte-voor-ruimte woningen.
Wat [appellant] aanvoert over de - door hem gestelde - financiële bevoordeling van en onevenredige tegemoetkoming aan [partij] geeft geen aanleiding voor een ander oordeel. Voor zover daarvan al sprake zou zijn, ziet dit aspect niet op de ruimtelijke afweging die ten grondslag ligt aan het bestemmingsplan.
Het betoog slaagt niet.
- Passen de ruimte-voor-ruimte woningen binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied?
6.2. Artikel 3.79, eerste lid, aanhef en onder c, van de IOV bepaalt dat een bestemmingsplan kan voorzien in een ruimte-voor-ruimte woning als deze ontwikkeling past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied.
6.3. Op pagina 19 van de plantoelichting heeft de raad uiteengezet waarom volgens de raad de ontwikkeling past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied. De raad heeft daarbij verwezen naar de "Structuurvisie verfrissend Boxtel 2011. Daarin is vermeld dat in het buitengebied ontwikkelingen mogelijk zijn, dat wordt gestreefd naar versterking van natuurwaarden en dat intensieve vormen van agrarisch gebruik, zoals de voormalige veehouderij in het plangebied, minder passend zijn. De Afdeling volgt de raad in haar standpunt dat het plan door de beëindiging van de intensieve veehouderij en de sloop van bedrijfsbebouwing zorgt voor ontstening en landschappelijke inpassing, waardoor de landschappelijke en ecologische kwaliteiten worden versterkt, geuremissie bij de kom van Lennisheuvel vervalt en de uitstoot van stikstof wordt gereduceerd. Naar het oordeel van de Afdeling moet het plan hierbij in zijn geheel worden beoordeeld en zorgt het onder de streep, inclusief de beëindiging van een intensieve veehouderij en de sloop van bedrijfsbebouwing, voor vermindering van verstening en herstel van natuurwaarden. Gelet op het voorgaande, stelt de raad zich terecht op het standpunt dat de ontwikkeling die het plan mogelijk maakt, past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied.
Het betoog slaagt niet.
- Is een deskundige van de provincie betrokken geweest bij het opstellen van de ontwikkelingsrichting?
6.4. Artikel 3.77, tweede lid, van de IOV bepaalt dat bij het opstellen van een ontwikkelingsrichting deskundigen worden betrokken op het gebied van omgevingskwaliteit, onder wie een deskundige die bij de provincie Noord-Brabant werkzaam is.
6.5. De Afdeling stelt vast dat de provincie een zienswijze heeft ingediend op het ontwerpplan. Daaruit blijkt dat de provincie betrokken is geweest bij het vooroverleg. De raad heeft op de zitting ook toegelicht dat er overleg is gevoerd met de provincie en dat de provincie betrokken is geweest bij de vaststelling van het plan. In het betoog van [appellant] ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat niet is voldaan aan de voorwaarde uit artikel 3.77, tweede lid, van de IOV.
Het betoog slaagt niet.
- Ligt het plangebied in een bebouwingscluster?
6.6. Artikel 3.79, eerste lid, aanhef en onder b, van de IOV bepaalt dat een bestemmingsplan kan voorzien in een ruimte-voor-ruimte woning als deze ontwikkeling op een aanvaardbare locatie plaatsvindt. Artikel 3.78, derde lid, onder a, van de IOV bepaalt dat sprake is van een aanvaardbare locatie als de locatie in een bebouwingscluster ligt. Op grond van artikel 1 vanPro de IOV is een bebouwingscluster een vlakvormige verzameling van bebouwing buiten bestaand stedelijk gebied.
6.7. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad in hoofdstuk 3.2 van de toelichting en in het landschappelijke inpassingsplan, dat als bijlage 1 bij de toelichting van het plan ter inzage is gelegd, voldoende gemotiveerd waarom de gronden waarop de ruimte-voor-ruimte woningen zijn gelegen, in een bebouwingscluster nabij de rand van de kern Lennisheuvel zijn gelegen. In de toelichting staat dat de woningen en bedrijfsgebouwen rondom de kruising van de Koevoortseweg en de Kempseweg samen een vlakvormige verzameling van bebouwing vormen in landelijk gebied, dat midden in structuren en gebieden met een duidelijke begrenzing ligt. In het landschappelijke inpassingsplan staat dat de bebouwingconcentratie zich kenmerkt door een relatieve beslotenheid door de dichtheid van bebouwing en erfbeplanting. Deze relatief kleine en verdichte percelen vormen een contrast met de openheid van de omliggende akkers en weidegronden. Door het slopen van de bedrijfsbebouwing in het plangebied, het mogelijk maken van twee ruimte-voor-ruimte woningen en de omzetting van twee bedrijfswoningen naar burgerwoningen, wordt de bebouwingsconcentratie, die hoofdzakelijk bestaat uit woonpercelen, versterkt.
Wat [appellant] aanvoert geeft geen aanleiding voor een ander oordeel. Daarvoor is relevant dat de "Structuurvisie verfrissend Boxtel 2011" waar [appellant] naar verwijst, de in 2011 bestaande bebouwingsclusters slechts globaal en indicatief weergeeft.
Het betoog slaagt niet.
Is de omvang en situering van de gronden met de aanduiding "bijgebouwen" aanvaardbaar?
7. [appellant] betoogt, voor wat betreft de omvang en situering van de gronden met de aanduiding "bijgebouwen", ten eerste dat de omvang en situering van de gronden met de aanduiding "bijgebouwen" achter zijn woning in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarover voert hij aan dat een woonbestemming een aaneengesloten stuk grond moet zijn met alle bebouwing bij elkaar gelegen. In dit geval steken de gronden met de aanduiding "bijgebouwen" uit richting het open landschap en dat mag volgens hem niet. [appellant] heeft zijn betoog over artikel 3, tweede lid, onder 7, van de "Beleidsregel maatwerk omgevingskwaliteit 2023 Noord-Brabant" op de zitting verder geconcretiseerd, in die zin dat hij stelt dat dit artikel illustreert dat een woonbestemming een passende omvang moet hebben. Verder vindt hij het opvallend dat de gronden met de aanduiding "bijgebouwen" die bij de woning aan de [locatie 1] horen, direct achter zijn perceel aan de [locatie 2] zijn gesitueerd in plaats van achter de bijbehorende woning. Dat geeft volgens [appellant] geen blijk van een evenwichtige afweging van de betrokken belangen. Hij wordt namelijk ingebouwd door de gebouwen die het bestemmingsplan mogelijk maakt.
[appellant] betoogt ten tweede dat het via het bestemmingsplan rechtstreeks toestaan van tot 300 m² aan bijgebouwen in strijd is met artikel 4.4.4 van de planregels. Daarnaast was in artikel 27.4.6 van het vorige bestemmingsplan "Buitengebied 2011" een regeling opgenomen op grond waarvan bij omgevingsvergunning maximaal 250 m² aan bijgebouwen was toegestaan. Dat laat volgens [appellant] zien wat de raad maximaal ruimtelijk aanvaardbaar acht, terwijl met het voorliggende bestemmingsplan ten onrechte meer mogelijk wordt gemaakt. Ook is volgens [appellant] sprake van strijd met artikel 4.4.4, onder b, van de planregels, omdat het bestemmingsplan op de locatie waar bedrijfsbebouwing is gesloopt bijgebouwen mogelijk maakt.
7.1. Artikel 4.2.2, aanhef en onder c, van de planregels bepaalt voor de bestemming "Wonen" dat de gezamenlijke oppervlakte aan bijgebouwen niet meer mag zijn dan 100 m². Onder d van dat artikel is een zelfstandige regeling voor de omvang van bijgebouwen ter plaatse van de aanduiding "bijgebouwen" opgenomen. Ter plaatse van deze aanduiding staat het bestemmingsplan, in afwijking van artikel 4.2.2, onder c, maximaal 200 m² aan bijgebouwen toe, met dien verstande dat de gezamenlijke grondoppervlakte aan bijgebouwen niet meer mag bedragen dan 300 m². In artikel 4.4.4 is bepaald dat bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van artikel 4.2.2, onder c, ten behoeve van een grotere oppervlakte aan bijgebouwen, te weten maximaal 250 m².
7.2. Artikel 4.4.4 en 4.2.2 van de planregels zijn twee zelfstandige, naast elkaar bestaande regelingen, waarbij artikel 4.4.4 de voorwaarden bevat waaronder, bij een omgevingsvergunning voor afwijken van het bestemmingsplan, kan worden afgeweken van artikel 4.2.2, onder c. Artikel 4.2.2 bevat de (direct werkende) regels die gelden voor bijgebouwen. Als wordt voldaan aan artikel 4.2.2, doet zich, anders dan [appellant] lijkt te veronderstellen, de vraag naar de mogelijke strijdigheid met artikel 4.4.4 dus niet meer voor.
Over het betoog van [appellant] over het huidige bestemmingsplan "Buitengebied 2011", merkt de Afdeling op dat de raad juist heeft beoogd om de bestaande planologische situatie te veranderen met een nieuw bestemmingsplan. In zoverre is eventuele strijd met eerdere bestemmingsplannen geen reden om het plan onrechtmatig te achten. In dit verband is relevant dat aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend.
7.3. De Afdeling volgt [appellant] ook niet in zijn betoog dat de omvang en situering van de gronden met de aanduiding "bijgebouwen" in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Hoewel de bijgebouwen ook ergens anders hadden kunnen worden voorzien, heeft de raad voldoende gemotiveerd dat de situering zoals vastgelegd in het plan ruimtelijk aanvaardbaar is. De raad heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat de woonpercelen van de voormalige bedrijfswoningen zo zijn vormgegeven om te zorgen voor een verdichting van de bestaande bebouwing ter plaatse en om een inbreuk op de openheid van het landschap te voorkomen. De bestaande zichtlijnen vanaf de weg worden versterkt. De raad heeft op de zitting toegelicht dat dit ook de reden is dat een bijgebouw niet naast de voormalige bedrijfswoning aan de weg is voorzien, maar deels achter het perceel van [appellant]. De raad heeft er ook op gewezen dat [appellant] aan de achterkant van zijn perceel een bijgebouw heeft gerealiseerd dat het zicht op het gebied daarachter, waar een bijgebouw is voorzien, geheel of gedeeltelijk ontneemt en dat op die plek voorheen varkensstallen van de beëindigde veehouderij stonden. Bovendien is voor deze locatie gekozen na het doorlopen van een participatietraject, naar aanleiding waarvan de situering van het voorziene bijgebouw een kwartslag is gedraaid.
Wat [appellant] aanvoert over dat artikel 3, tweede lid, onder 7, van de "Beleidsregel maatwerk omgevingskwaliteit 2023 Noord-Brabant" illustreert dat een woonbestemming een passende omvang moet hebben, maakt het voorgaande niet anders.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie en proceskosten
8. Het beroep is ongegrond.
9. De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. M.M. Kaajan, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. F. Nales, griffier.
w.g. Kaajan
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Nales
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 19 november 2025
680-1044
BIJLAGE
Artikel 3.77 van de IOV
Lid 1
Voor de toepassing van de maatwerkbepalingen in deze afdeling geldt dat het bestemmingsplan een onderbouwing bevat dat de ontwikkeling past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied. Een ontwikkelingsrichting wordt opgesteld met toepassing van de basisprincipes, bedoeld in paragraaf 3.1.2, en gaat in ieder geval in op de volgende aspecten:
a. welke activiteiten en functies vanuit een gebiedsgerichte benadering passen in de omgeving;
b. welke effecten de ontwikkeling van die activiteiten en functies heeft op andere aspecten, waaronder een veilige en gezonde leefomgeving, de te beschermen waarden, bedoeld in afdeling 3.2 Basis op orde, mobiliteit, agrarische ontwikkeling, stedelijke ontwikkeling, leefbaarheid en leegstand elders;
c. op welke wijze de omgevingskwaliteit in het gebied versterkt kan worden, mede gericht op de toepassing van artikel 3.9 Kwaliteitsverbetering landschap; en
d. op welke wijze de sloop van overtollige bebouwing wordt gerealiseerd.
Lid 2
Bij het opstellen van een ontwikkelingsrichting worden deskundigen betrokken op het gebied van omgevingskwaliteit, onder wie een deskundige die bij de provincie Noord-Brabant werkzaam is.
Artikel 3.78, derde lid, onder a, van de IOV
[…]
Lid 3
Er is sprake van een aanvaardbare locatie voor de ontwikkeling van een woning als:
a. de locatie in een bebouwingsconcentratie ligt; of
[…]
Artikel 3.79, eerste lid, aanhef en onder a, b en c, van de IOV
Lid 1
Een bestemmingsplan kan voorzien in een of meerdere ruimte-voor-ruimtekavels in Stedelijk gebied of Landelijk gebied als deze ontwikkeling:
[…]
b. op een aanvaardbare locatie plaatsvindt als bedoeld in artikel 3.78, derde lid; en
c. past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied, bedoeld in artikel 3.77.
[…]
Bestemmingsplan "Koevoortseweg Boxtel" van de raad van de gemeente Boxtel
Artikel 1.21 Bouwperceel
een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten. Indien en voorzover twee bouwpercelen middels de aanduiding relatie met elkaar zijn verbonden worden deze aangemerkt als één bouwperceel;
Artikel 4.2.2 Bijgebouwen
[…]
c. de gezamenlijke grondoppervlakte mag niet meer dan 100 m2 bedragen;
d. in afwijking van het bepaalde onder c mag de grondoppervlakte ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouwen' maximaal 200 m² bedragen per aanduidingsvlak, met dien verstande dat de gezamenlijke grondoppervlakte niet meer dan 300 m2 mag bedragen;
[…]
Artikel 4.4.4 Oppervlakte aan bijgebouwen vergroten via bonussloopregeling
Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in 4.2.2 onder c ten behoeve van een grotere oppervlakte aan bijgebouwen bij de woning, onder de voorwaarden dat:
a. binnen het bestemmingsvlak zelf of elders bestaande gebouwen worden gesloopt.
Daarbij geldt dat maximaal 100 m2 als bijgebouw bij de woning is toegestaan, met dien verstande dat wanneer de bestaande oppervlakte aan bijgebouwen meer bedraagt dan 100 m2 ten hoogste 20% van deze meerdere oppervlakte behouden of vervangen mag worden tot een maximale gezamenlijke oppervlakte van 250 m2;
b. verzekerd is dat de elders gesloopte oppervlakte aan gebouwen daar niet opnieuw kan worden gebouwd.