ECLI:NL:RVS:2025:5620
Raad van State
- Hoger beroep
- G.T.J.M. Jurgens
- Rechtspraak.nl
Ongegrondverklaring beroep tegen handhavingsbesluit veehouderij Doetinchem
Appellant betwistte het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Doetinchem om het bezwaar tegen het niet-handhaven van vermeende strijdigheden met het bestemmingsplan bij een veehouderij ongegrond te verklaren.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State overwoog dat het verzoek om handhaving onder het overgangsrecht van de Wabo valt, omdat het verzoek vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet was ingediend. Het college had opnieuw beoordeeld of het scheiden en bewerken van mest en de tijdelijke opslag daarvan in strijd was met het bestemmingsplan en concludeerde dat dit niet het geval was.
De Afdeling oordeelde dat de mobiele mestscheider en de container niet als bouwwerken in de zin van de Wabo kunnen worden aangemerkt, omdat zij slechts tijdelijk op het perceel aanwezig zijn. Het gebruik van de mestscheider en opslag past binnen de bestemming 'Agrarisch gebied', omdat de mest afkomstig is van de eigen veehouderij en de dikke fractie dezelfde dag wordt afgevoerd.
Appellant stelde dat het gebruik omgevingsvergunningplichtig was, maar de Afdeling verwierp dit omdat het gebruik binnen de agrarische bestemming valt en niet als ondergeschikte nevenactiviteit kan worden aangemerkt. Het beroep werd ongegrond verklaard en het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het beroep tegen het handhavingsbesluit is ongegrond verklaard en het besluit van het college bevestigd.