De burgemeester van Hulst sloot op 15 februari 2022 de woning van appellant in Vogelwaarde voor drie maanden nadat bij een politie-inval op 19 januari 2022 een hennepkwekerij met 148 planten werd aangetroffen. Appellant verklaarde onder bedreiging criminelen toegang te hebben verleend, die de hennepplanten hadden geplaatst en verzorgd.
De rechtbank handhaafde de sluiting, waarna appellant hoger beroep instelde met het argument dat de sluiting onevenredig was vanwege zijn ziektebeeld en het ontbreken van een vaste woon- en verblijfplaats. Tevens stelde hij dat de burgemeester zijn zorgplicht ten aanzien van vervangende woonruimte had geschonden.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State onderschreef het oordeel van de rechtbank en voegde toe dat appellant geen bijzondere binding met de woning had aangetoond en dat het enkele feit dat hij geen vervangende woonruimte vond onvoldoende was om het besluit te vernietigen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep tegen de sluiting van de woning wegens een hennepkwekerij wordt ongegrond verklaard en de sluiting bevestigd.
Uitspraak
202203954/1/A3.
Datum uitspraak: 19 november 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:57 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in Vogelwaarde, gemeente Hulst,
appellant,
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank ZeelandWestBrabant (hierna: de rechtbank) van 28 juni 2022 in zaken nrs. 22/2724 en 22/2725 in het geding tussen:
[appellant]
en
de burgemeester van Hulst.
Procesverloop
Bij besluit van 15 februari 2022 heeft de burgemeester de woning aan de [locatie] in Vogelwaarde voor drie maanden gesloten.
Bij besluit van 25 april 2022 heeft de burgemeester het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 28 juni 2022, ECLI:NL:RBZWB:2022:3587, heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
[appellant] heeft een nader stuk ingediend.
Partijen hebben verklaard geen gebruik te willen maken van het recht op een zitting te worden gehoord, waarna de Afdeling het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, gelezen in verbinding met artikel 8:108, eerste lid, van de Awb heeft gesloten.
Overwegingen
1. [appellant] is eigenaar en bewoner van de woning aan de [locatie] in Vogelwaarde. Bij een inval van de politie op 19 januari 2022 is een hennepkwekerij met 148 planten aangetroffen in een slaapkamer. Volgens de bestuurlijke rapportage van 24 januari 2022 heeft [appellant] verklaard dat hij onder bedreiging criminelen toegang heeft verleend tot de woning en dat die personen daar de hennepplanten hebben neergezet, verzorgd en geoogst. Naar aanleiding hiervan heeft de burgemeester de woning gesloten voor drie maanden. De rechtbank heeft de sluiting in stand gelaten.
2. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de sluiting van de woning onevenredig is. Hij wijst op zijn ziektebeeld en op het feit dat hij zonder vaste woon- en verblijfsplaats kwam te zitten. Hij stelt dat de burgemeester zijn zorgplicht ten aanzien van vervangende de woonruimte heeft geschonden.
2.1. In wat [appellant] in hoger beroep heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen dan dat van de rechtbank. De Afdeling onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de overwegingen waarop dat oordeel is gebaseerd. De Afdeling voegt daar nog aan toe dat van een bijzondere binding met de woning niet is gebleken. Verder biedt de enkele stelling van [appellant] dat hij geen vervangende woonruimte heeft kunnen vinden, geen aanleiding voor het oordeel dat de burgemeester te weinig gewicht heeft toegekend aan de nadelige gevolgen van de sluiting.
3. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank moet worden bevestigd, voor zover aangevallen.
4. De burgemeester hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank, voor zover aangevallen.
Aldus vastgesteld door mr. C.H. Bangma, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. F.B. van der Maesen de Sombreff, griffier.