Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2025:5665

Raad van State

Datum uitspraak
21 november 2025
Publicatiedatum
21 november 2025
Zaaknummer
202505796/1/A2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening extra tentamenvoorzieningen Universiteit Leiden

De verzoeker, een student aan de Universiteit Leiden met de diagnose ADHD, vroeg om extra tentamenvoorzieningen voor het vak Public International Law, waaronder het gebruik van een laptop en een prikkelarme zaal naast reeds toegekende toetstijdverlenging. De Examencommissie weigerde deze voorzieningen toe te kennen, waarna de verzoeker administratief beroep instelde bij het College van Beroep voor de Examens (CBE).

De voorzitter van het CBE had reeds een voorlopige voorziening getroffen, waardoor de verzoeker het tentamen in een prikkelarme ruimte mocht maken, maar de beoordeling en bekendmaking van het cijfer werden aangehouden tot het administratief beroep positief zou worden beslist. De verzoeker wilde een verderstrekkende voorziening om de beoordeling niet aan te houden.

De voorzieningenrechter oordeelde dat de reeds getroffen voorlopige voorziening voldoende tegemoetkomt aan het belang van de verzoeker, omdat hij het tentamen met de extra voorzieningen kan maken en de rechtmatigheid van de afwijzing in het administratief beroep kan worden getoetst. Daarom wees de voorzieningenrechter het verzoek om een verderstrekkende voorlopige voorziening af.

De uitspraak werd gedaan zonder zitting, gezien het spoedeisend belang en het voorlopige karakter van de beslissing. De kosten van het proces worden niet aan het CBE opgelegd.

Uitkomst: Het verzoek om een verderstrekkende voorlopige voorziening voor extra tentamenvoorzieningen wordt afgewezen.

Uitspraak

202505796/1/A2.
Datum uitspraak: 21 november 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
[verzoeker],
verzoeker,
en
de Examencommissie Rechtsgeleerdheid van de Universiteit Leiden,
verweerder.
Procesverloop
Bij e-mail van 19 november 2025 heeft de studieadviseur mede namens de examencommissie [verzoeker] te kennen gegeven dat niet is gebleken dat toewijzing van extra tentamenvoorzieningen gerechtvaardigd is.
Hiertegen heeft [verzoeker] administratief beroep bij het college van beroep voor de examens (hierna: het CBE) ingesteld.
[verzoeker] heeft de voorzieningenrechter verzocht om hangende dit administratief beroep een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzitter van het CBE heeft op 21 november 2021 een voorlopige voorziening getroffen.
Het CBE heeft nadere stukken ingediend.
Overwegingen
1.       Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
2.       [verzoeker] wil voor het tentamen voor het vak Public International Law dat op vrijdag 21 november 2025 om 13.00 uur wordt afgenomen, gebruik maken van extra voorzieningen. Naast de al aan hem toegekende toetstijdverlenging wil hij vanwege de diagnose AHDH gebruik maken van een laptop en een prikkelarme zaal.
3.       De voorzitter van het CBE heeft in de ochtend van 21 november 2025 een voorlopige voorziening getroffen. Daarbij heeft hij bepaald dat [verzoeker] deel kan nemen aan het tentamen Public International Law in een prikkelarme ruimte, met dien verstande dat het tentamen pas wordt nagekeken, dan wel het cijfer pas bekend wordt gemaakt als het CBE hem in administratief beroep gelijk geeft.
4.       [verzoeker] wenst een verderstrekkende voorlopige voorziening, omdat hij wil dat de beoordeling van het tentamen niet wordt aangehouden tot op het administratief beroep positief is beslist.
5.       Niet in geschil is dat [verzoeker] een spoedeisend belang heeft bij zijn verzoek. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om op grond van artikel 8:83, vierde lid, van de Awb zonder zitting uitspraak te doen.
6.       Naar het oordeel van de Afdeling is met de door het CBE getroffen voorlopige voorziening voldoende tegemoetgekomen aan het belang van [verzoeker]. Hierdoor wordt hij in staat gesteld om alsnog het tentamen met de extra voorzieningen te maken. Vervolgens kan in administratief beroep en - zo nodig - bij de Afdeling worden getoetst of de eventuele afwijzing van de extra voorzieningen gerechtvaardigd is.
7.       Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.
8.       Het CBE hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. J.M. Willems, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. C. Kouidar, griffier.
w.g. Willems
voorzieningenrechter
w.g. Kouidar
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 21 november 2025
1120