ECLI:NL:RVS:2025:5690
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen afwijzing machtiging tot voorlopig verblijf
In deze zaak gaat het om het hoger beroep van een appellant tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, die op 12 november 2024 het beroep van de appellant ongegrond verklaarde. De appellant had eerder een aanvraag ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf, welke op 8 september 2022 door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid was afgewezen. Na een bezwaarprocedure, waarin de staatssecretaris op 24 augustus 2023 het bezwaar ongegrond verklaarde, heeft de appellant beroep aangetekend bij de rechtbank. De rechtbank heeft in haar uitspraak bevestigd dat zij alleen de feiten en stukken heeft meegenomen die relevant waren op het moment van het besluit op bezwaar. De appellant heeft in het hoger beroep geen nieuwe argumenten aangedragen die de rechtbank zouden kunnen doen afwijken van haar eerdere oordeel. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De minister van Asiel en Migratie hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak is gedaan door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in aanwezigheid van mr. J.W. Prins, griffier, en is openbaar uitgesproken op 25 november 2025.