202505458/2/A3.
Datum uitspraak: 26 november 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), hangende het hoger beroep van:
[verzoeker], wonend in Eindhoven,
verzoeker,
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank OostBrabant (hierna: de rechtbank) van 4 september 2025 in zaak nrs. 25/1882 en 25/1883 in het geding tussen:
[verzoeker]
en
de burgemeester van Eindhoven.
Procesverloop
Bij besluit van 12 maart 2025 heeft de burgemeester de aan [verzoeker] verleende vergunningen op grond van de Alcoholwet en de Wet op de kansspelen ingetrokken.
Bij besluit van 11 juli 2025 heeft de burgemeester het door [verzoeker] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 4 september 2025 heeft de rechtbank het door [verzoeker] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [verzoeker] hoger beroep ingesteld.
Tevens heeft [verzoeker] de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De burgemeester heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 13 november 2025, waar [verzoeker], bijgestaan door mr. D.M.M.L. Boerrigter en mr. I. Soetens, beiden advocaat in Eindhoven, en de burgemeester van Eindhoven, vertegenwoordigd door mr. B. Timmermans, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. [verzoeker] is eigenaar en leidinggevende van café [naam café] op het adres [locatie] in Eindhoven. [verzoeker] heeft een vergunning op grond van de Alcoholwet voor het uitoefenen van dit horecabedrijf en een aanwezigheidsvergunning op grond van de Wet op de kansspelen voor het aanwezig hebben van twee speelautomaten in het horecabedrijf.
Vanwege informatie in de bestuurlijke rapportage van 9 januari 2025 die de burgemeester van de politie heeft ontvangen, is de burgemeester tot het oordeel gekomen dat [verzoeker] niet langer voldoet aan het vereiste dat een leidinggevende niet in enig opzicht van slecht levensgedrag mag zijn. De burgemeester heeft daarom de alcoholwetvergunning en de aanwezigheidsvergunning van [verzoeker] ingetrokken.
De rechtbank heeft geoordeeld dat de burgemeester de vergunningen heeft mogen intrekken. [verzoeker] is het daar niet mee eens.
2. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
Oordeel van de voorzieningenrechter
3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat er spoedeisend belang aanwezig is, omdat voldoende aannemelijk is gemaakt dat de intrekking van de Alcoholwetvergunning het voortbestaan van het horecabedrijf van [verzoeker] bedreigt en daarom mogelijk tot onomkeerbare gevolgen leidt. De voorzieningenrechter zal het verzoek aan de hand van een voorlopig rechtsmatigheidsoordeel beoordelen.
4. Artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, van de Alcoholwet, luidt:
"Leidinggevenden van het horecabedrijf en het slijtersbedrijf voldoen aan de volgende eisen:
[…]
b. zij zijn niet in enig opzicht van slecht levensgedrag;
[…]"
Artikel 31, eerste lid, aanhef en onder b, luidt:
"Een vergunning wordt door de burgemeester ingetrokken, indien:
[…]
b. niet langer wordt voldaan aan de bij of krachtens artikelen 8 en 10 geldende eisen;
[…]"
Artikel 30f, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet op de kansspelen, luidt:
"De vergunning wordt ingetrokken:
[…]
b. indien voor een inrichting, als bedoeld in artikel 30c, eerste lid, onder a en b, niet de vergunning van kracht is, die ingevolge de voor die inrichting geldende bepalingen is vereist;
[…]"
5. De voorzieningenrechter ziet vooralsnog onvoldoende aanleiding voor het oordeel dat de uitspraak van de rechtbank in de bodemprocedure niet in stand zal blijven. De burgemeester heeft gemotiveerd en onderbouwd waarom hij van oordeel is dat [verzoeker] in enig opzicht van slecht levensgedrag is. Gelet op de informatie in de bestuurlijke rapportage van de politie heeft de burgemeester naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter redelijkerwijs tot dat oordeel kunnen komen.
5.1. Uit de bestuurlijke rapportage is onder meer gebleken dat [verzoeker] op 7 december 2024 fysiek betrokken is geweest bij een incident bij een ander horecabedrijf, waarbij een slachtoffer letsel heeft opgelopen aan zijn hoofd. Volgens de twee getuigenverklaringen die in de bestuurlijke rapportage zijn opgenomen heeft [verzoeker] met zijn knie op het hoofd dan wel de hals van het slachtoffer gedrukt dan wel gebeukt, terwijl het slachtoffer al door twee portiers werd vastgehouden. Het slachtoffer had veel bloed in zijn gezicht, is buiten bewustzijn geraakt en lag op de grond in een flinke plas bloed. Gelet hierop stelt de burgemeester zich op het standpunt dat [verzoeker] buitensporig geweld heeft toegepast. Zijn bemoeienis met het incident was bovendien onnodig omdat er al meerdere portiers bij betrokken waren en dit ook niet zijn taak was omdat hij geen portier of beveiliger is. Voorts hecht de burgemeester negatieve betekenis aan het feit dat uit een meting is gebleken dat [verzoeker] die avond een aanzienlijke hoeveelheid alcohol had gedronken, terwijl hij als leidinggevende aan het werk was voor zijn horecabedrijf.
5.2. [verzoeker] ontkent dat hij geweld heeft gebruikt en stelt dat hij op verzoek van de portiers heeft geholpen om het slachtoffer vast te houden. Ter onderbouwing hiervan heeft [verzoeker] twee schriftelijke verklaringen en enkele whatsappberichten overgelegd van de portiers die bij het incident waren betrokken. Volgens die verklaringen zou [verzoeker] zich na enige tijd bij het incident hebben gevoegd nadat hij via een portofoon was verzocht om assistentie, en zou [verzoeker] alleen de armen van het slachtoffer hebben vastgehouden. De rechtbank heeft geoordeeld dat de burgemeester de verklaringen van de portiers onbetrouwbaar heeft kunnen achten. De voorzieningenrechter kan dat oordeel volgen, omdat uit de camerabeelden blijkt dat [verzoeker] zich al binnen vier seconden na het ontstaan bij het incident heeft gevoegd. Tegenover de politie heeft hij bovendien op de vraag waarom hij erbij kwam niet aangegeven dat hij om hulp was gevraagd, maar gezegd dat ze altijd met zijn allen erbij komen als er iets is. Pas maanden later heeft [verzoeker] de verklaringen van de portiers overgelegd en gesteld dat hij door hen om assistentie was gevraagd. Voorts heeft [verzoeker] zelf tegenover de politie verklaard dat hij het slachtoffer niet alleen bij de pols vasthield, maar ook met zijn rechterknie op het schouderblad van het slachtoffer zat, wat niet overeenkomt met de verklaringen van de portiers.
5.3. De burgemeester heeft bij de besluitvorming ook vier eerdere incidenten van [verzoeker] betrokken die in de bestuurlijke rapportage door de politie zijn genoemd. Hieruit blijkt in ieder geval dat [verzoeker] zich niet coöperatief heeft opgesteld tegenover de politie en medewerkers van handhaving. Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft de burgemeester deze incidenten mogen meenemen in de besluitvorming en mede gelet hierop redelijkerwijs tot het oordeel kunnen komen dat [verzoeker] niet voldoet aan de eis dat hij niet in enig opzicht van slecht levensgedrag is. Gelet op het bepaalde in artikel 31, eerste lid aanhef en onder b, van de Alcoholwet, moet de burgemeester, indien hij ten aanzien van een leidinggevende tot het oordeel komt dat deze in enig opzicht van slecht levensgedrag is, de vergunning intrekken, wat op grond van artikel 30f van de Wet op de kansspelen tot gevolg heeft dat ook de aanwezigheidsvergunning moet worden ingetrokken. De voorzieningenrechter ziet daarom op voorhand onvoldoende aanleiding voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte zou hebben geoordeeld dat de burgemeester de vergunningen mocht intrekken.
Het betoog slaagt niet.
6. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.
7. De burgemeester hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. J. Houtman-van de Meerakker, griffier.
w.g. Borman
voorzieningenrechter
w.g. Houtman-van de Meerakker
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 26 november 2025
929