ECLI:NL:RVS:2025:5720
Raad van State
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- J.Th. Drop
- Rechtspraak.nl
Verzoek om voorlopige voorziening in vreemdelingenrechtelijke zaak betreffende faciliterend visum
Op 28 november 2025 heeft de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State uitspraak gedaan in een zaak waarin de minister van Buitenlandse Zaken een verzoek om een faciliterend visum voor betrokkene had afgewezen. Dit besluit, genomen op 19 maart 2024, werd door betrokkene aangevochten. De rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, verklaarde op 8 oktober 2025 het beroep van betrokkene gegrond en vernietigde het besluit van de minister. De rechtbank bepaalde dat de minister binnen acht weken een nieuw besluit moest nemen en dat betrokkene behandeld moest worden alsof hij in het bezit was van een faciliterend visum tot zes weken na het nemen van dat nieuwe besluit.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld en verzocht om de voorlopige voorziening die door de rechtbank was getroffen op te heffen. De voorzieningenrechter overwoog dat de gevolgen van de door de rechtbank getroffen voorlopige voorziening moeilijk omkeerbaar zouden zijn en dat het hoger beroep van de minister anders zijn betekenis zou verliezen. Daarom heeft de voorzieningenrechter de voorlopige voorziening van de rechtbank opgeheven en bepaald dat de minister geen uitvoering hoeft te geven aan de uitspraak van de rechtbank totdat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Deze uitspraak benadrukt de zorgvuldigheid die in vreemdelingenzaken in acht moet worden genomen, vooral wanneer het gaat om voorlopige voorzieningen die de rechtspositie van betrokkenen kunnen beïnvloeden. De voorzieningenrechter heeft de belangen van beide partijen afgewogen en een beslissing genomen die recht doet aan de complexiteit van het bestuursrecht en de specifieke omstandigheden van de zaak.