ECLI:NL:RVS:2025:5720

Raad van State

Datum uitspraak
28 november 2025
Publicatiedatum
26 november 2025
Zaaknummer
BRS.25.001822
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
  • J.Th. Drop
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om voorlopige voorziening in vreemdelingenrechtelijke zaak betreffende faciliterend visum

Op 28 november 2025 heeft de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State uitspraak gedaan in een zaak waarin de minister van Buitenlandse Zaken een verzoek om een faciliterend visum voor betrokkene had afgewezen. Dit besluit, genomen op 19 maart 2024, werd door betrokkene aangevochten. De rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, verklaarde op 8 oktober 2025 het beroep van betrokkene gegrond en vernietigde het besluit van de minister. De rechtbank bepaalde dat de minister binnen acht weken een nieuw besluit moest nemen en dat betrokkene behandeld moest worden alsof hij in het bezit was van een faciliterend visum tot zes weken na het nemen van dat nieuwe besluit.

Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld en verzocht om de voorlopige voorziening die door de rechtbank was getroffen op te heffen. De voorzieningenrechter overwoog dat de gevolgen van de door de rechtbank getroffen voorlopige voorziening moeilijk omkeerbaar zouden zijn en dat het hoger beroep van de minister anders zijn betekenis zou verliezen. Daarom heeft de voorzieningenrechter de voorlopige voorziening van de rechtbank opgeheven en bepaald dat de minister geen uitvoering hoeft te geven aan de uitspraak van de rechtbank totdat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Deze uitspraak benadrukt de zorgvuldigheid die in vreemdelingenzaken in acht moet worden genomen, vooral wanneer het gaat om voorlopige voorzieningen die de rechtspositie van betrokkenen kunnen beïnvloeden. De voorzieningenrechter heeft de belangen van beide partijen afgewogen en een beslissing genomen die recht doet aan de complexiteit van het bestuursrecht en de specifieke omstandigheden van de zaak.

Uitspraak

BRS.25.001822
Datum uitspraak: 28 november 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen en het opheffen van een voorlopige voorziening (artikelen 8:81 en 8:87 van de Algemene wet bestuursrecht; hierna: de Awb), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de Awb, hangende het hoger beroep van:
de minister van Buitenlandse Zaken,
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 8 oktober 2025 in zaak nr. NL25.12235 in het geding tussen:
[betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 19 maart 2024 heeft de minister een aanvraag om betrokkene een faciliterend visum te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 14 februari 2025 heeft de minister het daartegen door betrokkene gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 8 oktober 2025 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, bepaald dat de minister binnen acht weken na de dag van verzending van de uitspraak met inachtneming ervan een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt en bepaald dat de minister betrokkene moet behandelen als ware hij in het bezit van een faciliterend visum ten minste tot zes weken na het nemen van een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om de door de rechtbank getroffen voorlopige voorziening op te heffen en verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Betrokkene heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1.        De minister verzoekt de voorzieningenrechter om de door de rechtbank getroffen voorlopige voorziening op te heffen. Daarnaast verzoekt de minister de voorzieningenrechter om de voorlopige voorziening te treffen dat hij de uitspraak van de rechtbank niet hoeft uit te voeren, totdat de Afdeling op zijn hoger beroep heeft beslist.
2.        De gevolgen van de door de rechtbank getroffen voorlopige voorziening zullen in de praktijk moeilijk omkeerbaar zijn en het hoger beroep van de minister tegen de uitspraak van de rechtbank zou zijn betekenis in dat geval grotendeels verliezen. De voorzieningenrechter heft daarom de door de rechtbank krachtens artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb getroffen voorlopige voorziening op. Daarnaast treft de voorzieningenrechter gelet op de belangen die partijen naar voren hebben gebracht een voorlopige voorziening.
3.        De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        heft de voorlopige voorziening, getroffen in de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 8 oktober 2025 in zaak nr. NL25.12235, op;
II.        bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat de minister van Buitenlandse Zaken geen uitvoering hoeft te geven aan die uitspraak, voordat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist.
Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. R.T. Gazai, griffier.
w.g. Drop
voorzieningenrechter
w.g. Gazai
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 28 november 2025
966