202400691/1/R3.
Datum uitspraak: 26 november 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], gevestigd in 's-Gravenzande, gemeente Westland,
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 28 december 2023 in zaak nr. 21/7506 in het geding tussen:
[appellante]
en
het college van burgemeester en wethouders van Westland.
Procesverloop
Bij besluit van 6 april 2021 heeft het college aan Twins Investments B.V. een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van een bedrijfsverzamelgebouw aan de Lorentzstraat 15BUI tot en met 15BU5 en de Nobelstraat 15BU6 tot en met 15BU26 in ‘s-Gravenzande.
Bij besluit van 18 november 2021 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 28 december 2023 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
Het college en Twins Investments B.V. hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Partijen hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 oktober 2025, waar [appellante], vertegenwoordigd door [gemachtigde A] en mr. J.M. Smits, en het college, vertegenwoordigd door J.C. Meijer, zijn verschenen. Voorts is ter zitting Twins Investments B.V., vertegenwoordigd door [gemachtigde B] en mr. J Bouwman-Treffers, gehoord.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo).
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 23 november 2020. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Inleiding
2. Bij uitspraak van 28 december 2023 heeft de rechtbank Den Haag het beroep van [appellante] ongegrond verklaard, omdat het college bij het toepassen van de parkeernormen krachtens planregel 3.1 van het paraplubestemmingsplan "Parkeernormen" mocht uitgaan van het bepaalde in het beleid opgenomen in artikel 4, zesde lid, onder a, van de Parkeernormering gemeente Westland. De rechtbank oordeelt dat op basis van de aanvraag en de in bezwaarfase overgelegde stukken voldoende duidelijk was welke dominante functies zich naar verwachting zouden vestigen in het bedrijfsverzamelgebouw en aansluiting mocht worden gezocht bij de daarbij behorende parkeernormen. De rechtbank volgt het college dat met 82 parkeerplaatsen voorzien wordt in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein bij het bedrijfsverzamelgebouw en het bouwplan niet in strijd is met artikel 3.1 van het paraplubestemmingsplan "Parkeernormen"
Hoger beroep
3. Het hoger beroep van [appellante] beperkt zich, zoals ook ter zitting is vastgesteld, tot de vraag of de rechtbank tot het oordeel kon komen dat het college mocht uitgaan van het bepaalde in artikel 4, zesde lid, onder a, van de Parkeernormering gemeente Westland. [appellante] betoogt, dat de parkeerbehoefte moet worden bepaald op basis van de representatieve maximale invulling volgens artikel 4, zesde lid, onder b, van Parkeernormering gemeente Westland. Dat leidt tot een parkeerbehoefte van 113 parkeerplaatsen in plaats van de berekende parkeerbehoefte van 82 parkeerplaatsen. Onvoldoende duidelijk zou zijn welke functies aanwezig zullen zijn in het bedrijfsverzamelgebouw, danwel welke functies op termijn aanwezig zullen zijn, zodat niet duidelijk is welke dominante functies aanwezig zullen zijn en geen gebruik kan worden gemaakt van artikel 4, zesde lid, onder a, van de Parkeernormering gemeente Westland.
Bespreking hoger beroep
4. Het hoger beroep slaagt niet. De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat het college ten tijde van de beslissing van bezwaar tot de conclusie mocht komen dat in voldoende mate bekend was welke dominante functies zich in het gebouw gaan vestigen. Het college kon tot dit oordeel komen op basis van de aanvraag en de in de bezwaarfase aangereikte situatietekening BA.00b met een indeling van het bedrijfsverzamelgebouw en de daarbij behorende functies, vertaald in een ook op de tekening aangegeven parkeerbalans met parkeernormen gerelateerd aan die verschillende functies. Het college mocht op grond daarvan toepassing geven aan artikel 4, zesde lid, onder a, Parkeernormering gemeente Westland. Alleen als niet vooraf bekend is welke functies zich in een gebouw gaan vestigen dient te gekeken naar de volgens het bestemmingsplan toegestane functies. Die situatie doet zich niet voor. De parkeerbehoefte hoeft dus niet, anders dan [appellante] stelt, te worden bepaald aan de hand van de van de representatieve maximale invulling volgens artikel 4, zesde lid, onder b, van Parkeernormering gemeente Westland.
5. Voorafgaand en tijdens de zitting is, mede aan de hand van foto’s, door alle partijen nog nader ingegaan op de feitelijke parkeersituatie. Het uit deze foto’s blijkende beeld getuigt niet direct van parkeeroverlast en duidt meer op al dan niet incidentele foutparkeerders waartegen handhavend optreden mogelijk is. Daar gaat deze procedure niet over.
Conclusie
6. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
7. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak;
Aldus vastgesteld door mr. A. ten Veen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van J.M. Rijsdijk, griffier.
w.g. Ten Veen
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Rijsdijk
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 26 november 2025