202307838/1/R3.
Datum uitspraak: 26 november 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in Burgum, gemeente Tytsjerksteradiel, en anderen,
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank NoordNederland van 31 oktober 2023 in zaak nrs. 22/3476 en 22/3739 in het geding tussen:
[appellant] en anderen
en
het college van burgemeester en wethouders van Tytsjerksteradiel.
Procesverloop
Bij besluit van 6 april 2022 heeft het college aan [vergunninghouder] een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van een winkel op de begane grond met vijf appartementen op de eerste en tweede verdieping op het perceel [locatie] in Burgum.
Bij afzonderlijke besluiten van 30 september 2022 heeft het college de door [appellant] en anderen daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 31 oktober 2023 heeft de rechtbank de door [appellant] en anderen daartegen ingestelde beroepen ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben [appellant] en anderen hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 7 november 2025, waar [appellant] en anderen, in de persoon van [appellant] en [appellant A], en het college, vertegenwoordigd door ing. F. de Jong, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Voor de beoordeling van het hoger beroep blijft het recht zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing.
2. Het bouwplan voorziet in de nieuwbouw van een winkel op de begane grond met vijf appartementen op de eerste en tweede verdieping op het perceel. Het bouwplan past binnen het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Burgum 2016", op grond waarvan op het perceel de bestemmingen "Centrum" en "Waarde-Archeologie" rusten. Het college heeft voor de realisering van het bouwplan een omgevingsvergunning verleend voor de activiteit bouwen als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo). [appellant] en anderen verzetten zich tegen de verleende omgevingsvergunning.
Beoordeling hoger beroep
3. [appellant] en anderen betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het college ten onrechte een omgevingsvergunning heeft verleend voor de realisering van het bouwplan. Hierover hebben zij aangevoerd dat het college bij de beslissing over de omgevingsvergunning ten onrechte voorbij is gegaan aan de afspraken die het college, de aanvrager en omwonenden in 1998 hebben gemaakt over de maximale hoogte van het pand op Schoolstaat 2. De vergunning voor het vergroten van dat pand is destijds verleend onder de uitdrukkelijke voorwaarde dat het gebouw maximaal 3 m hoog zal worden. [appellant] en anderen vinden dat het college onzorgvuldig heeft gehandeld door deze aan de vergunning verbonden voorwaarde niet in het gemeentelijk archief te bewaren. [appellant] en anderen stellen zich op het standpunt dat zij er op mochten vertrouwen dat de overheid de in 1998 gemaakte afspraken gestand doet, ongeacht latere wijzigingen in het bestemmingsplan.
3.1. Bij besluit van 11 november 1998 heeft het college vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het vergroten van het winkelpand op het perceel. De hoogte van het destijds vergunde pand is 3 m.
De rechtbank heeft in de stukken geen aanknopingspunten gevonden dat er in het kader van de vergunning uit 1998 een compromis is bereikt over de maximale hoogte van het pand aan de [locatie]. Voor zover een voorschrift over de hoogte van het pand zou zijn opgenomen in de vergunning uit 1998 is dat naar het oordeel van de rechtbank voor de beoordeling van de onderhavige aanvraag niet relevant. Daarover heeft de rechtbank overwogen dat de onderhavige aanvraag moet worden beoordeeld aan de hand van de actuele, wettelijke regelgeving en dat een eventueel vergunningvoorschrift, behorend bij een eerder verleende vergunning, in beginsel geen deel uitmaakt van dat toetsingskader. De Afdeling kan zich vinden in dit oordeel van de rechtbank en overweging 11 die aan dat oordeel ten grondslag ligt.
De Afdeling voegt daar aan toe dat het ontbreken in het archief van stukken van de vergunning uit 1998 of in het verleden gemaakte afspraken over de bouwhoogte de rechtmatigheid van de nu voorliggende omgevingsvergunning niet kan aantasten. Het college moet de bij hem ingediende aanvraag om omgevingsvergunning toetsen aan de op dat moment geldende regelgeving. Vast staat dat de voorziene nieuwbouw in het bestemmingsplan past, ook wat betreft de hoogte. Omdat het bouwplan niet in strijd is met het bestemmingsplan en ook niet is gebleken van andere weigeringsgronden als bedoeld in artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo, moest het college de gevraagde omgevingsvergunning verlenen. Wat in 1998 is vergund of afgesproken kan in dit geval dus geen rol spelen bij de beslissing omtrent vergunningverlening. De gestelde afspraak over de maximale bouwhoogte hadden [appellant] en anderen in de bestemmingsplanprocedure aan de orde kunnen en moeten stellen.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
4. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
5. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. A.B. Blomberg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. G.J. Deen, griffier.
w.g. Blomberg
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Deen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 26 november 2025
604