ECLI:NL:RVS:2025:5758

Raad van State

Datum uitspraak
26 november 2025
Publicatiedatum
26 november 2025
Zaaknummer
202304294/1/R1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • A.B. Blomberg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering omgevingsvergunning voor verbouwing bedrijfsgebouw tot appartementen in strijd met bestemmingsplan

Het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer weigerde op 5 augustus 2021 een omgevingsvergunning voor het verbouwen van de eerste verdieping van een bedrijfsgebouw tot twee appartementen, omdat dit in strijd is met het bestemmingsplan "Hoofddorp Noord" met bestemming "Gemengd - 1". Eerder was ook al een vergunning voor één appartement geweigerd, wat onherroepelijk werd verklaard.

[appellant] stelde dat het college ten onrechte de mogelijke belemmering van omliggende bedrijfsactiviteiten als grond voor weigering had genomen, terwijl het beleid juist gericht is op transitie naar een gemengd woon-werkgebied. De rechtbank oordeelde echter dat het college beleidsruimte heeft om belangen af te wegen en dat het toestaan van appartementen de bedrijfsactiviteiten, met name in bedrijfscategorie 3.1, kan beperken.

De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigde dit oordeel en verwierp het betoog dat het college het gelijkheidsbeginsel zou hebben geschonden. De Afdeling vond dat het college mag uitgaan van de maximale planologische mogelijkheden van omliggende bedrijven en dat de aanwezigheid van bedrijfswoningen en enkele woningen aan de overkant niet tot een andere beoordeling leidt.

Omdat het college terecht de vergunning weigerde, werd niet inhoudelijk op de parkeernorm ingegaan. Wel werd vastgesteld dat de redelijke termijn van de procedure met ruim twee maanden was overschreden, waarvoor een forfaitaire schadevergoeding van €500 werd toegekend, gematigd vanwege de samenhang tussen [appellant] en FG Governors & Engine Parts B.V.

De Afdeling veroordeelde het college en de Staat tot vergoeding van de schadevergoeding en proceskosten. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de omgevingsvergunning bevestigd.

Uitspraak

202304294/1/R1.
Datum uitspraak: 26 november 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in Zwanenburg, gemeente Haarlemmermeer, en FG Governors & Engine Parts B.V., gevestigd in Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]),
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord­Holland van 2 juni 2023 in zaak nr. 22/3590 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer.
Procesverloop
Bij besluit van 5 augustus 2021 heeft het college geweigerd om aan [appellant] een omgevingsvergunning te verlenen voor het verbouwen van de eerste verdieping van een bedrijfsgebouw aan de [locatie] in Hoofddorp (hierna: het perceel) tot twee appartementen.
Bij besluit van 20 juni 2022 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 2 juni 2023 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellant] en het college hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak behandeld op een zitting van 23 oktober 2025, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. D.W. Giltay Veth, advocaat in Nieuw-Vennep, en vergezeld door [persoon], en het college, vertegenwoordigd door mr. M.Y. van der Bas, ir. J. Beelen en mr. C. Vissers, zijn verschenen.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1.       Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Voor de beoordeling van het hoger beroep blijft het recht zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing.
Inleiding
2.       [appellant] wil een deel van de eerste verdieping van het bestaande bedrijfsgebouw op het perceel verbouwen om zelfstandige bewoning mogelijk te maken. Dit is in strijd met de hier op grond van het bestemmingsplan "Hoofddorp Noord" geldende bestemming "Gemengd - 1". Eerder heeft [appellant] het college verzocht om een omgevingsvergunning om in afwijking van het bestemmingsplan op de eerste verdieping één appartement te realiseren. Het college heeft die omgevingsvergunning geweigerd. Dit besluit is onherroepelijk geworden met de uitspraak van de Afdeling van 19 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:522. [appellant] heeft beoogd tegemoet te komen aan de gronden voor deze weigering door een omgevingsvergunning te vragen om op de eerste verdieping niet één, maar twee appartementen te realiseren. Het college heeft echter opnieuw geweigerd om hiervoor een omgevingsvergunning te verlenen, kort weergegeven omdat appartementen tot beperkingen voor omliggende bedrijven zouden leiden en omdat in strijd met het bestemmingsplan "Parapluplan parkeerregels" niet wordt voorzien in voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein. [appellant] is het niet eens met deze nieuwe weigering.
Ruimtelijke afweging
3.       [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college aan de weigering om omgevingsvergunning te verlenen niet ten grondslag had mogen leggen dat de gevraagde appartementen de in dit gebied toegestane bedrijfsactiviteiten in de bedrijfscategorieën 1, 2 en 3.1 kunnen belemmeren. Volgens hem is dit in strijd met het beleid dat het college voert, dat is gericht op transitie van bedrijventerrein naar gemengd gebied voor wonen en werken in Hoofddorp-Noord. Hij betwist dat omliggende bedrijven in hun mogelijkheden zullen worden beperkt door de gevraagde appartementen. In nabijgelegen panden vinden feitelijk alleen bedrijfsactiviteiten in bedrijfscategorie 1 plaats. Er zijn bovendien al verschillende bedrijfswoningen in de omgeving aanwezig en tegenover het perceel zijn acht woningen mogelijk gemaakt door een van rechtswege verleende vergunning. Deze woningen maken voor bedrijven in de directe omgeving bedrijfsactiviteiten in bedrijfscategorie 3.1 al onmogelijk. De aangevraagde appartementen zullen deze bedrijven volgens [appellant] dan ook niet verder beperken dan nu al het geval is. [appellant] beroept zich verder op het ontwerpbestemmingsplan "Hoofdweg 583 ca". Hierin worden ook woningen voorzien, waarbij niet bepalend is geacht welke bedrijfsactiviteiten in de omliggende panden planologisch maximaal mogelijk zijn, maar slechts welke bedrijfsactiviteiten daar feitelijk plaatsvinden. In de tweede plaats wijst hij op het voorbereidingsbesluit "J.C. Beetslaan Hoofddorp Noord". Dit is gericht op verlaging van de toegestane bedrijfscategorieën om woningen mogelijk te maken. Volgens hem schendt het college het gelijkheidsbeginsel door in het geval van [appellant] vast te houden aan de maximale planologische mogelijkheden voor omliggende bedrijven.
3.1.    Het college komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en het moet de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met dat besluit te dienen doelen.
3.2.    In de hiervoor genoemde uitspraak van 19 februari 2020 heeft de Afdeling overwogen dat de omstandigheid dat de in de Deelstructuurvisie Hoofddorp 2030 beschreven transformatie nog niet concreet is uitgewerkt in een nieuw bestemmingsplan of in een beleidsstuk, niet betekent dat elke wijziging van een bedrijfsruimte naar een woning moet worden toegestaan. De Afdeling ziet geen reden om nu anders te oordelen. Het college heeft toegelicht dat het niet meewerkt aan losstaande ontwikkelingen die nagenoeg geheel zijn omgeven door bedrijven, maar dat het de transitie per bouwblok wil vormgeven, zoals ook is beschreven in de door de raad vastgestelde "Ontwikkelstrategie voor binnenstedelijke transformatie Hoofddorp-Noord". De achtergrond hiervan is onder meer dat op deze wijze ook de bijbehorende infrastructurele voorzieningen kunnen worden ontwikkeld en versnippering wordt voorkomen. De Afdeling overweegt dat het college voor deze benadering mag kiezen.
3.3.    Vaststaat dat het bestemmingsplan "Hoofddorp Noord" op en rond het perceel van [appellant] bedrijfsactiviteiten in bedrijfscategorie 1, 2 en 3.1 mogelijk maakt. Het toestaan van gevoelige objecten zoals de aangevraagde appartementen zou ertoe kunnen leiden dat bedrijfsactiviteiten in met name bedrijfscategorie 3.1 op korte afstand daarvan niet langer aanvaardbaar zijn. De rechtbank heeft terecht geen aanleiding gevonden voor het oordeel dat het college dit niet in zijn afweging mocht betrekken. Ook heeft de rechtbank terecht overwogen dat het college daarbij mocht uitgaan van de maximale planologische mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt.
3.4.    Anders dan [appellant] betoogt, is de Afdeling niet gebleken dat de beoogde appartementen geen invloed zullen hebben op de mogelijkheden voor bedrijven in de omgeving omdat deze in de bestaande situatie al worden beperkt in hun planologische mogelijkheden. De aanwezigheid van bedrijfswoningen in de omgeving maakt dat niet anders, omdat voor het woon- en leefklimaat in bedrijfswoningen andere maatstaven gelden dan voor burgerwoningen. Voor zover [appellant] wijst op de burgerwoningen aan de overkant van de Wijkermeerstraat, is niet in geschil dat deze op ongeveer 40 m afstand van het pand van [appellant] liggen. Dat betekent dat voor zover deze burgerwoningen bedrijven beperken in hun planologische mogelijkheden, het (grotendeels) zal gaan om andere bedrijven.
3.5.    De rechtbank heeft verder terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het college het gelijkheidsbeginsel heeft geschonden door de beoogde appartementen niet toe te staan met het oog op de planologische mogelijkheden van omliggende bedrijven. Nog daargelaten dat [appellant] zich in hoger beroep voor de gesteld gelijke gevallen beroept op besluitvorming door de raad en niet het college, heeft het college toegelicht dat het in de door [appellant] genoemde gevallen aan de Hoofdweg en aan de J.C. Beetslaan gaat om besluitvorming om achtereenvolgens 600 woningen en 40 woningen mogelijk te maken. Zoals de Afdeling hiervoor heeft overwogen, betekent dat niet dat ook medewerking moet worden verleend aan losstaande initiatieven zoals de door [appellant] beoogde twee appartementen in een bedrijfsgebouw. Verder heeft het college toegelicht dat voor zover aan de Hoofdweg woningen op korte afstand van bestaande bedrijven mogelijk worden gemaakt, deze bedrijven al worden beperkt in hun mogelijkheden door privaatrechtelijke belemmeringen en bestaande woningen. Die situatie doet zich in het geval van [appellant] niet voor.
Het betoog slaagt niet.
Parkeernorm
4.       Omdat het voorgaande al leidt tot de conclusie dat de rechtbank terecht tot het oordeel is gekomen dat het college de gevraagde omgevingsvergunning mocht weigeren, komt de Afdeling niet meer toe aan een bespreking van de hogerberoepsgrond over de toepassing van de parkeernorm uit het "Parapluplan parkeerregels".
Conclusie hoger beroep
5.       Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
Overschrijding redelijke termijn
6.       [appellant] heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM).
6.1.    De redelijke termijn is overschreden als de duur van de totale procedure te lang is. Voor een procedure als deze die uit een bezwaarprocedure en twee rechterlijke instanties bestaat, is in beginsel een totale lengte van ten hoogste vier jaar redelijk. Hierbij wordt een half jaar gerekend voor de behandeling van het bezwaar, anderhalf jaar voor de behandeling van het beroep en twee jaar voor de behandeling van het hoger beroep. De termijn begint op het moment van ontvangst van het bezwaarschrift door het bestuursorgaan.
6.2.    Het college heeft het bezwaarschrift van [appellant] ontvangen op 9 september 2021. De redelijke termijn is in deze procedure dus met ruim twee maanden overschreden. Deze overschrijding moet aan het college en de Afdeling worden toegerekend.
6.3.    De Afdeling hanteert een forfaitaire vergoeding van € 500,00 per half jaar waarmee de redelijke termijn is overschreden. Opgemerkt wordt dat [appellant] samen met FG Governors & Engines procedeert. De Afdeling ziet daarin aanleiding om het bedrag te matigen, omdat [appellant] bestuurder is van FG Governors & Engines. De Afdeling stelt de schadevergoeding daarom vast op € 500,00 voor beide personen tezamen.
Proceskosten
7.       Omdat de overschrijding van de redelijke termijn zowel aan het college, als aan de Afdeling is toe te rekenen, moeten het college en de Staat (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) ieder de helft van de proceskosten vergoeden voor het verzoek om schadevergoeding. Bij de berekening van de kosten gaat de Afdeling wat betreft de zwaarte van de zaak uit van de wegingsfactor licht (0,5), omdat het hier alleen gaat om beantwoording van de vraag of de redelijke termijn is overschreden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        bevestigt de aangevallen uitspraak;
II.       wijst het verzoek om schadevergoeding toe;
III.      veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer om aan [appellant] en FG Governors & Engine Parts B.V. een schadevergoeding van € 200,00 te betalen, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het college aan zijn verplichting heeft voldaan;
IV.      veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) om aan [appellant] en FG Governors & Engine Parts B.V. een schadevergoeding van € 300,00 te betalen, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen de Staat aan zijn verplichting heeft voldaan;
V.       veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer tot vergoeding van bij [appellant] en FG Governors & Engine Parts B.V. in verband met de behandeling van het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 226,75, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het college aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
VI.      veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) tot vergoeding van bij [appellant] en FG Governors & Engine Parts B.V. in verband met de behandeling van het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 226,75, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen de Staat aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.
Aldus vastgesteld door mr. A.B. Blomberg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.N. Witsen, griffier.
w.g. Blomberg
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Witsen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 26 november 2025
727