ECLI:NL:RVS:2025:5767
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke vernietiging last onder dwangsom wegens onjuiste handhaving woongebruik vrijstaand pand
Het college van burgemeester en wethouders van Nunspeet legde op 29 oktober 2021 aan appellant A een last onder dwangsom op om de bewoning van een vrijstaand pand te beëindigen, omdat dit in strijd zou zijn met artikel 15.4.1, aanhef en onder e, van het bestemmingsplan 'Spoorzone'. Appellant A betwistte dit en stelde dat het pand niet als bijbehorend bouwwerk kon worden aangemerkt, omdat het op een ander bouwperceel staat dan de hoofdwoning.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant A ongegrond, maar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde anders. De Afdeling stelde vast dat het pand op een afzonderlijk kadastraal perceel staat en niet functioneel verbonden is met een hoofdgebouw, zodat het geen bijbehorend bouwwerk is. Hierdoor was het college onbevoegd om handhavend op te treden op grond van artikel 15.4.1, aanhef en onder e.
De Afdeling vernietigde daarom het besluit van het college en de uitspraak van de rechtbank, verklaarde het beroep gegrond en herroept het last onder dwangsom. Tevens veroordeelde zij het college tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. Het subsidiaire beroep over gebruiksovergangsrecht behoefde geen behandeling meer.
Uitkomst: De Raad van State vernietigt het handhavingsbesluit en herroept de last onder dwangsom wegens onbevoegdheid van het college.