AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing voorlopige voorziening tegen omgevingsvergunning woningbouw nabij veehouderij
Het college van burgemeester en wethouders van Staphorst heeft op 22 juli 2024 een omgevingsvergunning verleend aan Woonstichting Vechthorst voor de bouw van 17 woningen, waarbij werd afgeweken van het omgevingsplan. Verzoeker exploiteert een kalveren- en schapenhouderij op circa 600 meter van de bouwlocatie en vreest dat de woningbouw haar bedrijfsvoering en toekomstige uitbreiding zal belemmeren.
Na bezwaar en beroep verklaarden de rechtbank en het college het bezwaar ongegrond. Verzoeker stelde hoger beroep in en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter oordeelt dat het geuronderzoek waarop het college zich baseert, mogelijk tekortschiet, maar dat nader onderzoek in de bodemprocedure moet plaatsvinden.
De voorzieningenrechter weegt het belang van de woningbouw, gezien het nijpende woningtekort, zwaarder dan de belangen van verzoeker. Het geuronderzoek toont aan dat de huidige bedrijfsvoering niet wordt belemmerd en concrete uitbreidingsplannen richting de woningen ontbreken. Daarom wordt het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de omgevingsvergunning wordt afgewezen.
Uitspraak
202504320/2/R4.
Datum uitspraak: 27 november 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 vanPro de Algemene wet bestuursrecht), hangende het hoger beroep van:
[verzoekster A], [verzoeker B] en [verzoekster C] (hierna samen en in enkelvoud: [verzoeker]), gevestigd dan wel wonend in Rouveen, gemeente Staphorst,
verzoekers,
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Overijssel (hierna: de rechtbank) van 17 juli 2025 in zaak nr. 25/1019 en 25/1525 in het geding tussen:
[verzoeker]
en
het college van burgemeester en wethouders van Staphorst.
Procesverloop
Bij besluit van 22 juli 2024 heeft het college aan Woonstichting Vechthorst een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van 17 woningen aan onder meer de Bokslootweg en op de locatie Rouveen, sectie AN, nr. 701 en om daarbij af te wijken van de regels van het omgevingsplan.
Bij besluit van 5 februari 2025 heeft het college het door [verzoeker] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 17 juli 2025 heeft de rechtbank het door [verzoeker] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [verzoeker] hoger beroep ingesteld.
Tevens heeft [verzoeker] de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Het college en Woonstichting Vechthorst hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[verzoeker], het college en Woonstichting Vechthorst hebben nadere stukken ingediend.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op een zitting behandeld op 6 november 2025, waar [verzoeker], vertegenwoordigd door mr. J.C. Vijfhuizen, rechtsbijstandverlener in Ermelo, en [verzoeker B], en het college, vertegenwoordigd door mr. M.W. van Nijendaal, advocaat in Arnhem, L. Leeuwering en G.J. Janssen zijn verschenen. Voorts is op de zitting Woonstichting Vechthorst, vertegenwoordigd door mr. S. van Gent, advocaat in Zwolle, en [gemachtigde], als partij gehoord.
Overwegingen
1. Het oordeel van de voorzieningenrechter is een voorlopig oordeel en niet bindend in de bodemprocedure.
2. De omgevingsvergunning is verleend voor het bouwen van 17 sociale-huurwoningen en om af te wijken van de regels van het omgevingsplan. [verzoeker] exploiteert een kalveren- en schapenhouderij op ruim 600 m ten zuiden van de woningbouwlocatie. Haar dichtstbij gelegen veestal ligt op ongeveer 610 m van de woningbouwlocatie. Het bouwvlak van de veehouderij biedt ruimte om nog 6 m dichter bij de thans vergunde woningen te bouwen. [verzoeker] vreest dat de realisatie van de woningen haar agrarische bedrijfsvoering en toekomstige uitbreiding daarvan zal belemmeren. Uit de ‘Rapportage geuronderzoek Plangebied Rouveen Zuid Fase 2A’ van Busscher Milieu Advies van 10 juli 2024 (hierna: het geuronderzoek) is namelijk gebleken dat een uitbreiding volgens de maximale planologische mogelijkheden van de stal aan de noordkant van de inrichting zal leiden tot een overschrijding van de in het omgevingsplan opgenomen geurnorm ter hoogte van de gevel van twee van de vergunde woningen.
3. Het geschil dat partijen in hoger beroep verdeeld houdt gaat in de kern over de vraag of de rechtbank terecht tot de conclusie is gekomen dat het college voldoende heeft onderbouwd dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de vergunde woningen en dat de bedrijfsvoering van [verzoeker] niet onevenredig wordt beperkt door de woningbouw die wordt mogelijk gemaakt met de vergunning.
In dat kader heeft [verzoeker] onder meer betoogd dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het geuronderzoek dat het college aan zijn motivering ten grondslag heeft gelegd, tekortschiet, omdat daarin verschillende agrarische bedrijven niet zijn meegenomen in de berekening van de cumulatieve geurbelasting. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter vergt de beoordeling van de vraag of de gevolgen wat betreft het aspect geur deugdelijk zijn onderzocht nader onderzoek dat in de bodemprocedure moet plaatsvinden.
Daarom zal de voorzieningenrechter zijn beslissing op het verzoek baseren op een belangenafweging.
4. Het belang dat volgens [verzoeker] aanleiding geeft om de omgevingsvergunning te schorsen is het belang van de voortzetting van haar bedrijfsvoering. Hierbij wijst [verzoeker] erop dat de veestal aan de noordkant van de inrichting in de toekomst moet worden uitgebreid vanwege nadere regelgeving waarbij meer ruimte per dierplaats nodig zal zijn. Volgens haar maken de thans vergunde woningen een uitbreiding in de richting van die woningen onmogelijk, omdat in dat geval de geurnorm ter plaatse van de woningen zal worden overschreden.
Het college en Woonstichting Vechthorst hebben gewezen op het belang van woningbouw gelet op het nijpende woningtekort.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter weegt het belang bij het toestaan van de woningbouw gelet op het aanzienlijke woningtekort zwaarder dan de door [verzoeker] genoemde belangen. Daarbij betrekt de voorzieningenrechter dat uit het geuronderzoek blijkt dat met de bestaande bedrijfsvoering van [verzoeker] de geurnorm ter plaatse van de woningen waarvoor de omgevingsvergunning is verleend, niet wordt overschreden. De thans vergunde woningen zullen daarom de bestaande bedrijfsvoering van [verzoeker] niet belemmeren. De voorzieningenrechter acht verder van belang dat niet is gebleken dat [verzoeker] concrete plannen heeft om in de richting van de woningen uit te breiden. Daarbij komt dat niet op voorhand is uitgesloten dat een eventuele uitbreiding van het bedrijf in een andere richting, verder van de thans vergunde woningen zou kunnen plaatsvinden, in welk geval de woningen geen belemmering voor [verzoeker] opleveren.
5. Gelet op het vorenstaande moet het verzoek worden afgewezen.
6. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. N.H. van den Biggelaar, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. M.L.M. van Loo, griffier.