202505419/1/A2.
Datum uitspraak: 3 december 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
en
het college van bestuur van de Technische Universiteit Delft (hierna: het CvB),
verweerder.
Procesverloop
[appellant] heeft beroep ingesteld tegen het door het CvB niet tijdig beslissen op zijn verzoek tot inschrijving voor de bacheloropleiding Technische Bestuurskunde aan de Technische Universiteit Delft (hierna: TUD).
Bij beslissing van 27 oktober 2025 heeft het CvB het verzoek van [appellant] tot inschrijving geweigerd.
Het CvB heeft een verweerschrift ingediend.
[appellant] heeft nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 20 november 2025, waar [appellant] en het CvB, vertegenwoordigd door mr. M.P. van Leerdam en E.F. Hoogland LLM, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellant] is ingeschreven geweest voor de bacheloropleiding Technische Bestuurskunde aan de TUD. Bij beslissing van 30 januari 2024 heeft het CvB zijn inschrijving aan de TUD op grond van artikel 7.57h, tweede lid, van de Wet op het hoger onderwijs en het wetenschappelijk onderzoek (hierna: Whw) definitief beëindigd wegens herhaaldelijk ernstig wangedrag waarmee hij hinder veroorzaakt en schade berokkent aan de medewerkers van de TUD. Het CvB heeft in deze beslissing verder opgenomen dat alleen tot herinschrijving wordt overgegaan als het CvB uit een gesprek blijkt dat [appellant] in staat is om aanwijzingen en instructies op te volgen, om de gebruikelijke omgangsvormen in acht te nemen en zich op een passende wijze te verhouden tot de medewerkers van de TUD, zodat herhaling van het wangedrag niet meer hoeft te worden verwacht.
2. Bij uitspraak van 22 januari 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:145) heeft de Afdeling het beroep van [appellant] tegen de beslissing van het CvB van 27 mei 2024, waarin het de beslissing van 30 januari 2024 handhaaft, ongegrond verklaard. 3. [appellant] heeft op 31 augustus 2025 een verzoek gedaan tot inschrijving voor dezelfde opleiding. Op 3 september 2025 heeft hij het CvB in gebreke gesteld wegens het niet tijdig beslissen op zijn verzoek. Het CvB heeft [appellant] bij brief van 16 september 2025 uitgenodigd voor het in de beslissing van 30 januari 2024 bedoelde gesprek voor 29 september 2025. [appellant] is niet voor het gesprek verschenen.
De besluitvorming
4. Het CvB heeft aan zijn beslissing van 27 oktober 2025 artikel 7.37, eerste lid, van de Whw ten grondslag gelegd. Op grond van deze bepaling kan een onderwijsinstelling, aldus het CvB, een inschrijving weigeren bij bijzondere omstandigheden die een dringende reden vormen. Bijzondere omstandigheden zijn hier volgens het CvB aanwezig. [appellant] heeft namelijk geen blijk gegeven van gedragsverandering. Hij heeft geen nieuwe informatie of inzichten ingebracht die aanleiding geven om zijn gedrag of opstelling anders te beoordelen. Evenmin heeft hij laten zien dat hij zich kan of wil gedragen volgens de geldende omgangsvormen binnen de TUD. [appellant] is bijvoorbeeld zonder bericht niet verschenen op het gesprek van 29 september 2025. De toelating van [appellant] zou er opnieuw toe leiden dat een veilig leer- en werkklimaat voor medewerkers en zijn medestudenten niet gewaarborgd kan worden. Bovendien komt het goed functioneren van de faculteit en de daaraan verbonden afdelingen en commissies door zijn toelating in gevaar door het grote aantal klachten, bezwaar- en beroepschriften dat door hem wordt ingediend. Een redelijk belang bij deze klachten, bezwaar- en beroepschriften ontbreekt, maar de afhandeling ervan kost onevenredig veel tijd en energie.
Het beroep
5. [appellant] heeft voorafgaand aan de behandeling van zijn beroep op zitting verzocht om inzage in zijn dossiers. Bij brief van 14 november 2025 heeft de Afdeling dit verzoek afgewezen, omdat vrijwel alle stukken waar [appellant] inzage in vraagt al bij hem bekend zijn. De stukken die niet bij [appellant] bekend zijn, te weten de correspondentie tussen de Afdeling en het CvB, zijn bij die brief aan [appellant] toegezonden. Ter zitting heeft [appellant] zijn verzoek herhaald en ook verzocht de zaak aan te houden tot hij inzage heeft gehad in het dossier. De Afdeling ziet geen reden om terug te komen van de brief van 14 november 2025 en wijst daarom dit verzoek af.
6. Verder heeft [appellant] verzocht om herziening van verschillende uitspraken van de Afdeling in zaken waarin hij partij is. De Afdeling gaat evenwel uit van de juistheid van die uitspraken zolang zij geen uitspraak heeft gedaan op deze verzoeken.
Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een beslissing
7. [appellant] betoogt in beroep dat het CvB niet op tijd op zijn verzoek om inschrijving heeft besloten en daarom een dwangsom moet betalen.
7.1. Niet in geschil is dat in de wet geen termijn staat waarbinnen het CvB moet beslissen op een verzoek tot inschrijving. In dat geval moet de beslissing worden genomen binnen een redelijke termijn na ontvangst van de aanvraag (artikel 4:13, eerste lid, van de Awb). Deze redelijke termijn is in ieder geval verstreken wanneer het bestuursorgaan binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag geen beschikking heeft gegeven (artikel 4:13, tweede lid, van de Awb).
7.2. Ingevolge artikel 6:12, tweede lid, aanhef en onder a, van de Awb kan een beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen. [appellant] heeft zijn beroep ingediend op 3 september 2025. Gelet op wat onder 7.1 is overwogen, was het CvB op die dag niet in gebreke. Het beroep niet tijdig is prematuur en daarom niet-ontvankelijk.
Het beroep van rechtswege
8. [appellant] betoogt verder dat het CvB met zijn brief van 27 oktober 2025 geen beslissing heeft genomen op zijn verzoek tot inschrijving, omdat de informatie in Studielink, die afwijkt van de brief van 27 oktober 2025, leidend is. Met deze brief heeft het CvB zijn verzoek tot inschrijving niet kunnen afwijzen. De voorwaarden die het CvB stelt in zijn brief van 16 september 2025 hebben geen grondslag in de Whw en [appellant] voldoet aan de voorwaarden voor inschrijving, zoals gegeven in de artikelen 7.32 en 7.33 van de Whw.
8.1. Niet valt in te zien dat de brief van 27 oktober 2025 niet voldoet aan de definitie die is opgenomen in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Het enkele feit dat in Studielink zou staan aangegeven dat het verzoek tot inschrijving nog in behandeling is, kan aan de beslissing van 27 oktober 2025 niet het besluitkarakter ontnemen. Gelet op artikel 6:20, derde lid, van de Awb wordt het beroep mede te zijn gericht tegen de beslissing van 27 oktober 2025.
8.2. [appellant] betoogt op zichzelf terecht dat de Whw niet voorziet in een uitdrukkelijke grondslag voor het afwijzen van een verzoek tot (her)inschrijving van een student van wie de inschrijving eerder met toepassing van artikel 7.57h, tweede lid, van de Whw is beëindigd. Uit vaste rechtspraak volgt evenwel dat de inschrijving van een student onder bijzondere omstandigheden om dringende redenen kan worden geweigerd, ook als aan de in artikel 7.32 van de Whw gestelde eisen voor toelating is voldaan (zie de uitspraak van het CBHO van 20 juni 2008, 2008/008, onder 2.4). De definitieve uitschrijving van 30 januari 2024 is naar het oordeel van de Afdeling een dergelijke bijzondere omstandigheid. Het CvB heeft daarom de herinschrijving van [appellant] niet ten onrechte afhankelijk gesteld van het voldoen aan de in deze beslissing genoemde voorwaarden.
8.3. Gelet op de stukken en wat ter zitting is besproken, heeft het CvB kunnen overwegen dat [appellant] geen aanleiding heeft gegeven om zijn gedrag of opstelling anders te beoordelen. [appellant] heeft herhaaldelijk en ernstig de regels die het instellingsbestuur ingevolge artikel 7.57h van de Whw heeft gegeven, overtreden. Ook heeft hij zich, onder meer door niet te verschijnen voor het gesprek op 29 september 2025, niet gehouden aan de voorwaarden die het CvB in de beslissing van 30 januari 2024 aan een eventuele (her)inschrijving heeft verbonden. Het CvB heeft het verzoek tot inschrijving van [appellant] daarom kunnen afwijzen.
9. Het beroep van rechtswege is ongegrond.
10. Het CvB hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk;
II. verklaart het beroep tegen de beslissing van 27 oktober 2025 ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. J.J.W.P. van Gastel, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. O. van Loon, griffier.
w.g. Van Gastel
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Loon
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 3 december 2025
284-1175