ECLI:NL:RVS:2025:5813
Raad van State
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep en verzoek om voorlopige voorziening in asielzaak
In deze zaak hebben appellanten, bestaande uit [appellant 1], [appellant 2], mede namens hun minderjarige kinderen en [appellant 4], hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 18 november 2025. De rechtbank had eerder de aanvragen van appellanten om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen, welke besluiten door de minister van Asiel en Migratie op 21 maart 2025 waren genomen. De rechtbank verklaarde de beroepen van appellanten ongegrond. Appellanten, vertegenwoordigd door mr. O. Saraç, hebben vervolgens de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft het hoger beroep beoordeeld en geconcludeerd dat de rechtbank terecht en op goede gronden tot haar oordeel is gekomen. De voorzieningenrechter heeft de motivering van de rechtbank overgenomen en vastgesteld dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden. Daarom is het hoger beroep ongegrond verklaard en is het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
De uitspraak is gedaan op 3 december 2025 door mr. C.M. Wissels, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. S. van Driesten, griffier. De beslissing bevestigt de eerdere uitspraak van de rechtbank en wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.