ECLI:NL:RVS:2025:5837

Raad van State

Datum uitspraak
3 december 2025
Publicatiedatum
3 december 2025
Zaaknummer
202405454/1/A2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen ongeldigverklaring rijbewijs door Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen

In deze zaak gaat het om het hoger beroep van [appellant] tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam, die op 22 juli 2024 het beroep van [appellant] tegen het besluit van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR) niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het CBR had op 31 mei 2023 het rijbewijs van [appellant] ongeldig verklaard, waarna [appellant] bezwaar indiende. Het CBR verklaarde dit bezwaar op 8 augustus 2023 niet-ontvankelijk, maar trok dit besluit later in en verzocht [appellant] om gronden van bezwaar in te dienen. Na een verlenging van de termijn tot 16 november 2023, stelde het CBR vast dat [appellant] geen gronden had ingediend en verklaarde het bezwaar opnieuw niet-ontvankelijk. De rechtbank oordeelde dat het CBR terecht de bezwaarfase hervatte na de intrekking van het eerdere besluit, en dat [appellant] geen belang meer had bij een beoordeling van het beroep tegen het eerste besluit. In hoger beroep betoogt [appellant] dat het CBR de bedoeling van artikel 6:19 van de Awb heeft doorkruist door het oude besluit in te trekken en een nieuw besluit te nemen. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bevestigt de uitspraak van de rechtbank en oordeelt dat het CBR correct heeft gehandeld. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het CBR hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitspraak

202405454/1/A2.
Datum uitspraak: 3 december 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 22 juli 2024 in zaak nr. 23/6310 in het geding tussen:
[appellant]
en
het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: het CBR)
Procesverloop
Bij besluit van 31 mei 2023 heeft het CBR het rijbewijs van [appellant] vanaf 7 juni 2023 ongeldig verklaard.
Bij besluit van 8 augustus 2023 heeft het CBR het door [appellant] daartegen ingediende bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Bij brief van 26 september 2023 heeft het CBR aan de rechtbank en [appellant] medegedeeld dat het dat besluit heeft ingetrokken.
Bij besluit van 24 november 2023 heeft het CBR het bezwaar van [appellant] opnieuw niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 22 juli 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] tegen het besluit van 8 augustus 2023 ingestelde beroep niet-ontvankelijk en het door hem tegen het besluit van 24 november 2023 ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Het CBR heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Geen van de partijen heeft binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord, waarna de Afdeling het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, gelezen in verbinding met artikel 8:108, eerste lid, van de Awb heeft gesloten.
Overwegingen
Inleiding
1.       Het CBR heeft zich in het besluit van 8 augustus 2023 op het standpunt gesteld dat [appellant] het bezwaar buiten de termijn heeft ingediend en het bezwaar daarom niet-ontvankelijk verklaard. Nadat [appellant] tegen dat besluit beroep heeft ingesteld bij de rechtbank, heeft het CBR het besluit van 8 augustus 2023 ingetrokken, vastgesteld dat het bezwaarschrift geen gronden van bezwaar bevat en [appellant] bij brief van 26 september 2023 verzocht deze voor 10 oktober 2023 aan te leveren. Het CBR heeft deze termijn vervolgens verlengd tot 16 november 2023. Het CBR heeft in het besluit van 24 november 2023 vastgesteld dat [appellant] geen gronden heeft ingediend en het bezwaar opnieuw niet-ontvankelijk verklaard.
Uitspraak van de rechtbank
2.       De rechtbank heeft overwogen dat de besluiten van 8 augustus 2023 en 24 november 2023 krachtens artikel 6:19 van de Awb beide deel uitmaken van het geding, maar dat zij niet toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van het beroep. Omdat het besluit van 8 augustus 2023 is vervangen door dat van 24 november 2023 heeft [appellant] namelijk geen belang meer bij een beoordeling van zijn beroep tegen het besluit van 8 augustus 2023, aldus de rechtbank. Tevens heeft zij overwogen dat het CBR de bezwaarfase na de intrekking van het besluit van 8 augustus 2023 terecht heeft hervat, omdat op dat moment immers geen besluit op bezwaar meer voorlag. Dat de zaak bij intrekking van het bezwaar al aanhangig was bij de rechtbank maakt dat niet anders, omdat uit de artikel 8:72, derde en vierde lid, van de Awb, anders dan [appellant] betoogt, niet is af te leiden dat het CBR hierdoor niet langer de bevoegdheid had een nieuw besluit op bezwaar te nemen, aldus de rechtbank.
Hoger beroep
3.       [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het CBR, door na het instellen van beroep het oude besluit op bezwaar in te trekken en een nieuw te nemen, de bedoeling van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb heeft doorkruist. Volgens de memorie van toelichting bij de Wet aanpassing bestuursprocesrecht, Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, p. 33, dient immers te worden voorkomen dat hetzelfde geschil tegelijkertijd wordt behandeld door twee organen: door het bestuursorgaan en de rechter. Verder voert [appellant] aan dat niets de rechtbank een inhoudelijke beoordeling in de weg stond, omdat zij de beschikking had over de tegen het primaire besluit ingediende gronden en het op haar weg lag om zijn bezwaar tegen het primaire besluit zelf te beoordelen.
Beoordeling
3.1.    Het CBR heeft, door het besluit van 8 augustus 2023 in te trekken en aan te kondigen dat het een nieuw besluit op bezwaar zal nemen, in feite de besluitvorming gesplitst. Dat is niet in overeenstemming met artikel 7:11 van de Awb. Dat neemt echter niet weg dat het CBR bij besluit van 24 november 2023 alsnog op het bezwaar heeft beslist, waarmee het de strijd met artikel 7:11 heeft opgeheven. Verder heeft het CBR [appellant] aanvankelijk tot 10 oktober 2023 en vervolgens tot 16 november 2023 in de gelegenheid gesteld de gronden van bezwaar in te dienen. [appellant] heeft daarvan geen gebruik gemaakt, zodat het CBR diens bezwaar bij besluit van 24 november 2023 niet-ontvankelijk heeft verklaard bij gebrek aan gronden. [appellant] heeft uiteindelijk in de aanvullende beroepsgronden van 20 december 2023 zijn inhoudelijke bezwaren geformuleerd tegen het besluit van 31 mei 2023. Dat is te laat, gelet op de door het CBR gegeven termijn voor het indienen van de bezwaargronden. De rechtbank heeft dan ook terecht geen aanleiding gezien om die bezwaargronden krachtens artikel 6:19 van de Awb inhoudelijk te beoordelen en eveneens terecht het beroep van [appellant] tegen het besluit van 24 november 2023 ongegrond verklaard.
Conclusie
4.       Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
5.       Het CBR hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T. van Goeverden-Clarenbeek, griffier.
w.g. Borman
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Goeverden-Clarenbeek
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 3 december 2025
488-1159