202500609/1/R4.
Datum uitspraak: 3 december 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in Stoutenburg Noord, gemeente Amersfoort,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank MiddenNederland van 18 december 2024 in zaak nr. 22/5970 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Amersfoort.
Procesverloop
Bij besluit van 1 december 2022 heeft het college aan de Stichting Het Utrechts Landschap (hierna: de stichting) een omgevingsvergunning verleend voor het afwijken van het bestemmingsplan voor het ontwikkelen van een ecologische verbindingszone.
Bij uitspraak van 18 december 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellant] heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 november 2025, waar [appellant] en het college, vertegenwoordigd door mr. drs. H. Maaijen, zijn verschenen.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo).
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 1 november 2021. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Inleiding
2. De stichting wil een ecologische verbindingszone ontwikkelen tussen Stoutenburg en Juliusput om zo het Natuurnetwerk Nederland te versterken. Ook wil zij het voor de Gelderse Vallei kenmerkende kleinschalige cultuurlandschap herstellen door de ontwikkeling van natuur met hoge kwaliteit. Hiervoor heeft de stichting op 1 november 2021 een aanvraag ingediend voor het afwijken van het bestemmingsplan, ten behoeve van het ontwikkelen van natuur op vier agrarische percelen in de vorm van nat schraalland en rijk gemengd loofbos.
3. Bij het besluit van 1 december 2022 heeft het college aan de stichting deze omgevingsvergunning verleend, met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3º, van de Wabo. Met de omgevingsvergunning wordt afgeweken van het bestemmingsplan "Buitengebied-Oost". De percelen hebben de bestemmingen "Agrarische doeleinden" en "Landgoed". Uit het besluit tot verlening van de omgevingsvergunning van 1 december 2022 komt naar voren dat de beoogde ontwikkeling in strijd is met de gebruiksregels die gelden voor de gronden met de bestemming "Agrarische doeleinden" en dat de ontwikkeling past binnen de gebruiksregels van de bestemming "Landgoed".
4. [appellant] is eigenaar van naastliggende landbouwgrond en vreest dat hij door de ontwikkeling geconfronteerd wordt met een groter risico op ongewenste onkruiden, met name jakobskruiskruid. Ook vreest [appellant] dat zijn landbouwgrond waarde verliest en dat hij een deel van zijn subsidie van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (hierna: GLB-subsidie) verliest.
5. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college gebruik heeft mogen maken van de bevoegdheid om een omgevingsvergunning te verlenen voor het ontwikkelen van de ecologische verbindingszone.
Toetsingskader
6. Het college komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en het moet de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen.
Nadelige gevolgen besluit onevenredig?
7. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college in zijn belangenafweging onvoldoende rekening heeft gehouden met de voor hem negatieve gevolgen. Ten eerste wijst [appellant] erop dat door de naastgelegen percelen aan de natuur te laten, daar veel ongewenste planten zullen groeien waarvan de zaden zullen overwaaien naar zijn percelen. In het bijzonder is jakobskruiskruid schadelijk voor dieren en het controleren van de percelen op ongewenste planten is tijdrovend. Ten tweede brengt [appellant] naar voren dat hij zijn GLB-subsidie voor zijn hakhoutbosje met poel zal mislopen omdat deze niet meer met de langste zijde langs landbouwgrond ligt. Hoewel dit subsidiebedrag misschien niet zo groot is, maakt dit bedrag voor [appellant] als agrariër wel daadwerkelijk verschil. Tot slot voert [appellant] aan dat er waardevermindering optreedt voor zijn landbouwgrond.
7.1. Uit het besluit tot verlening van de omgevingsvergunning van 1 december 2022 blijkt dat er verschillende doelen en belangen spelen bij de ontwikkeling van de vier agrarische percelen naar natuur. Er ontstaat een ecologische verbindingszone tussen Stoutenburg en Juliusput wat leidt tot versterking van het Natuurnetwerk Nederland. Daarbij wordt er hoogwaardige natuur gerealiseerd en er is sprake van herstel van het voor de Gelderse Vallei kenmerkende kleinschalige cultuurlandschap. Ook vormt de ontwikkeling van één van de vier percelen een natuurcompensatie voor de aanpassingen aan het knooppunt Hoevelaken. Het college heeft een afweging gemaakt tussen deze algemene belangen en het individuele belang van [appellant] bij behoud van de percelen als agrarische gronden.
De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat het college het algemene belang zwaarder mocht laten wegen dan het belang van [appellant].
Voor dit oordeel is ten eerste van belang dat [appellant] ook bij een toename van de voor hem ongewenste planten op de aangrenzende percelen zijn bestaande agrarische gebruik kan voortzetten. [appellant] laat soms zijn runderen grazen op zijn percelen, soms verwerkt hij het gras tot balen of transporteert hij het gras naar een voerkuil voor runderen. Voor de verlening van de omgevingsvergunning kwamen ongewenste planten, zoals jakobskruiskruid, al voor op zowel de aangrenzende percelen als op [appellant] zijn percelen, en moest [appellant] hierop al controleren. De verlening van de omgevingsvergunning zal in zoverre, naar verwachting, niet tot een grote wijziging leiden. Daarnaast worden door de stichting een aantal maatregelen getroffen die de verspreiding van de ongewenste planten beperken. Zo wordt het bos en het struweel niet geplaatst tot aan de eigendomsgrens, en komt er een werkpad van 5 m tussen de percelen met een dichte grasmat die regelmatig wordt gesnoeid zodat ongewenste planten, zoals jakobskruiskruid, niet kunnen groeien.
Voor dit oordeel is verder van belang dat uit de door [appellant] aangeleverde stukken omtrent de GLB-subsidie niet volgt dat [appellant] deze voor zijn hakhoutbosje met poel verliest door de omgevingsvergunning van 1 december 2022. Tenslotte weegt de Afdeling voor haar oordeel mee dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat een eventuele waardevermindering van zijn percelen zo groot zal zijn dat het college bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan het college heeft gedaan.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
8. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
9. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. B.P.M. van Ravels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.L.M. van Loo, griffier.
w.g. Van Ravels
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Loo
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 3 december 2025
418-1165