Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2025:5842

Raad van State

Datum uitspraak
3 december 2025
Publicatiedatum
3 december 2025
Zaaknummer
202500435/1/A2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 130 Wvw 1994Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging schorsing rijbewijs na onderzoek rijvaardigheid opgelegd door CBR

Op 8 december 2023 sloeg appellante op een locatie waar alleen rechtsaf mocht worden geslagen, linksaf, waardoor zij tegen de verplichte rijrichting inreed. Naar aanleiding hiervan heeft de politie een melding gedaan aan het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR) van het vermoeden dat appellante niet langer over de vereiste rijvaardigheid beschikt.

Het CBR legde op 15 februari 2024 een onderzoek naar de rijvaardigheid op en schorste de geldigheid van het rijbewijs van appellante tot de uitslag van het onderzoek. Dit besluit werd gehandhaafd bij een besluit van 25 april 2024. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze besluiten ongegrond op 12 december 2024.

Appellante stelde in hoger beroep onder meer dat het opleggen van het onderzoek en de schorsing haar onevenredig benadeelde omdat zij haar auto nodig heeft voor maatschappelijke en privédoeleinden. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de toepasselijke regelgeving geen ruimte laat voor een belangenafweging en dat de situatie van appellante niet afwijkt van die van anderen in vergelijkbare omstandigheden.

Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Het CBR hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de schorsing van het rijbewijs blijft gehandhaafd.

Uitspraak

202500435/1/A2.
Datum uitspraak: 3 december 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend in [woonplaats],
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland­West­Brabant van 12 december 2024 in zaak nr. 24/4104 in het geding tussen:
[appellante]
en
het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: het CBR).
Procesverloop
Bij besluit van 15 februari 2024 heeft het CBR [appellante] een onderzoek naar de rijvaardigheid opgelegd en de geldigheid van haar rijbewijs geschorst.
Bij besluit van 25 april 2024 heeft het CBR het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 12 december 2024 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
Het CBR heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 11 november 2025, waar [appellante], bijgestaan door mr. L.P. Kabel, advocaat te Eindhoven, en het CBR, vertegenwoordigd door mr. M.M. Kleijbeuker, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1.       Op 8 december 2023 is [appellante] op een locatie waar zij alleen rechtsaf mocht slaan, linksaf geslagen, waardoor zij tegen de verplichte rijrichting inreed. Naar aanleiding van dit incident heeft de politie Eenheid Zeeland-West-Brabant op 8 december 2023 aan het CBR een mededeling gedaan als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de Wegenverkeerswet (hierna: Wvw 1994), van het vermoeden dat [appellante] niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van de categorie motorrijtuigen waarvoor het rijbewijs is afgegeven. Naar aanleiding hiervan heeft het CBR bij het besluit van 15 februari 2024 aan [appellante] een onderzoek naar de rijvaardigheid opgelegd en de geldigheid van haar rijbewijs tot de uitslag van het onderzoek geschorst. Het CBR heeft aan dit besluit, gehandhaafd bij het besluit van 25 april 2024, ten grondslag gelegd dat het vermoeden bestaat dat [appellante] niet (langer) over de vereiste rijvaardigheid beschikt.
2.       De rechtbank heeft geoordeeld dat het CBR aan [appellante] terecht een onderzoek naar de rijvaardigheid heeft opgelegd en haar rijbewijs terecht heeft geschorst.
Hoger beroep
3.       De gronden die [appellante] in hoger beroep heeft aangevoerd over de drukte op de parkeerplaats, haar kijktechniek, de zichtbaarheid van de bebording, de duur van het praktijkexamen en de uitkomst van het rijvaardigheidsonderzoek bij Pit Rijopleidingen zijn zo goed als een herhaling van de gronden die zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. [appellante] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 6.1 e.v. opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd.
4.       [appellante] betoogt dat het opleggen van het onderzoek en het schorsen van het rijbewijs haar onevenredig heeft benadeeld, omdat zij haar auto, haar enige vervoersmiddel, nodig heeft voor maatschappelijke en privé doeleinden.
4.1.    Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 25 januari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:298) laten de toepasselijke bepalingen van de Wvw 1994 en de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 (hierna: de Regeling) geen ruimte om een belangenafweging te maken en op grond van persoonlijke omstandigheden daarvan af te wijken. Wel kan de rechter, in een zeer uitzonderlijk geval, oordelen dat de Regeling buiten toepassing moet blijven, omdat de gevolgen van de Regeling onevenredig uitwerken.
Naar het oordeel van de Afdeling is hier geen sprake van een zeer uitzonderlijk geval. De situatie van [appellante] wijkt niet af van die van andere personen aan wie een onderzoek naar de rijvaardigheid is opgelegd en van wie de geldigheid van het rijbewijs is geschorst.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
5.       Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.
6.       Het CBR hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.M. Engele, griffier.
w.g. Van Altena
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Engele
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 3 december 2025
1033