ECLI:NL:RVS:2025:5844

Raad van State

Datum uitspraak
3 december 2025
Publicatiedatum
3 december 2025
Zaaknummer
202406735/1/A2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake afwijzing compensatie aanvraag gedupeerden toeslagenaffaire

In deze zaak gaat het om een hoger beroep van een gedupeerde ouder van de toeslagenaffaire, aangeduid als [appellante], tegen de afwijzing van haar aanvraag om compensatie van een afgeloste geldschuld door de minister van Financiën. De aanvraag werd afgewezen op 23 november 2022, omdat de schuld bij Defam B.V. niet vóór 1 juni 2021 opeisbaar was geworden. De appellante had een lening van € 25.500,00 afgesloten en had op 6 maart 2021 een deel van deze schuld, € 11.015,83, afgelost met compensatiegeld van de Belastingdienst. De minister weigerde echter om dit bedrag over te nemen, wat leidde tot de rechtszaak.

De rechtbank Gelderland verklaarde het beroep van [appellante] ongegrond op 8 oktober 2024. In hoger beroep betoogde [appellante] dat de afwijzing in strijd was met de doelstellingen van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) en dat de opeisbaarheidseis niet als belemmering voor herstel zou moeten gelden. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft de zaak op 19 november 2025 behandeld, waarbij [appellante] werd vertegenwoordigd door mr. A. Bal en de minister door mr. J. Rhebergen en mr. drs. A. Divis-Stein.

De Afdeling oordeelde dat de minister zich terecht op het standpunt had gesteld dat hij de schuld van [appellante] niet hoefde over te nemen, omdat er geen betalingsachterstand was die de schuld opeisbaar maakte. Het beroep op de hardheidsclausule werd afgewezen, omdat [appellante] niet voldoende had onderbouwd waarom haar situatie bijzonder of schrijnend was. De Afdeling bevestigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond, zonder dat de minister proceskosten hoefde te vergoeden.

Uitspraak

202406735/1/A2.
Datum uitspraak: 3 december 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend in [woonplaats],
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 8 oktober 2024 in zaak nr. 23/5491 in het geding tussen:
[appellante]
en
de minister van Financiën.
Procesverloop
Bij besluit van 23 november 2022 heeft de minister een aanvraag van [appellante] om compensatie van een afgeloste geldschuld afgewezen.
Bij besluit van 6 juli 2023 heeft de minister het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 8 oktober 2024 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 november 2025, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. A. Bal, advocaat in Arnhem, en de minister, vertegenwoordigd door mr. J. Rhebergen en mr. drs. A. Divis-Stein, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1.       [appellante] is een gedupeerde ouder van de toeslagenaffaire. Op 26 juni 2006 heeft zij bij Defam B.V. een lening van € 25.500,00 afgesloten, waarop zij op 6 maart 2021, met gebruikmaking van het compensatiebedrag dat zij van de Belastingdienst heeft ontvangen, € 11.015,83 heeft afgelost. [appellante] heeft de minister gevraagd om een deel van de schuld, gelijk aan deze aflossing, over te nemen en haar een bedrag van € 11.015,83 te betalen.
2.       In hoofdstuk 4 van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: de Wht) is vastgelegd onder welke voorwaarden een gedupeerde van de toeslagenaffaire in aanmerking kan komen voor het overnemen en betalen van private schulden. In artikel 4.3 van de Wht is een regeling opgenomen voor compensatie van al afgeloste private schulden. Deze bepaling houdt in dat, kort gezegd en voor zover hier van belang, een private schuld die is betaald na ontvangst van een bedrag op grond van een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7 van de Wht, bijvoorbeeld de toekenning van een geldbedrag als bedoeld in artikel 2.1 van de Wht, in aanmerking komt voor vergoeding, als de afgeloste schuld, wanneer deze niet was voldaan, op grond van de Wht zou zijn overgenomen.
3.       Op grond van artikel 4.1 van de Wht neemt de minister een geldschuld, als bedoeld in het eerste lid, over, indien is voldaan aan de in het tweede lid gestelde voorwaarden dat deze schuld:
a. is ontstaan na 31 december 2005;
b. vóór 1 juni 2021 opeisbaar was; en
c. niet is voldaan op het tijdstip waarop de aanvraag wordt gedaan.
4.       De minister heeft geweigerd het door [appellante] betaalde deel van de schuld over te nemen, omdat de schuld bij Defam B.V. niet, vanwege betalingsachterstanden, vóór 1 juni 2021 opeisbaar is geworden.
Uitspraak van de rechtbank
5.       De rechtbank heeft overwogen dat de regeling voor het overnemen van private schulden bedoeld is om een gedupeerde ouder zo veel mogelijk kans te bieden op een nieuwe start. De minister heeft zich, gelet de toepasselijke bepalingen van de Wht, terecht op het standpunt gesteld dat hij de schuld van [appellante] niet hoeft over te nemen. Ook in beroep is niet gesteld of gebleken dat er een betalingsachterstand was waardoor de schuld opeisbaar is geworden. Verder is niet gebleken van bijzondere omstandigheden.
Hoger beroep
6.       [appellante] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de afwijzing van haar aanvraag om het afgeloste deel van de schuld over te nemen in strijd is met de doelstellingen van de Wht. Zij voert aan dat de opeisbaarheidseis geen belemmering mag vormen voor het herstel van het onrecht en dat zij een nieuwe start verdient. De minister heeft onvoldoende rekening gehouden met het feit dat de schuld een gevolg is van de toeslagenaffaire. Volgens [appellante] zijn de gevolgen van het besluit van de minister onevenredig in verhouding tot de met dat besluit te dienen doelen.
6.1.    De gronden die [appellante] aanvoert, gaan over rechtsvragen die de Afdeling eerder heeft beantwoord (zie onder meer de uitspraak van 15 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2045). Wat [appellante] aanvoert, biedt geen reden om hierover in haar geval anders te oordelen.
7.       Op de zitting bij de Afdeling heeft [appellante] een beroep gedaan op de hardheidsclausule.
7.1.    Degene die een beroep op de hardheidsclausule doet, moet in ieder geval inzichtelijk maken waaruit de bijzonderheid of schrijnendheid in zijn of haar situatie bestaat, en moet dit zo concreet mogelijk onderbouwen.
7.2.    Op de zitting zijn geen nadere aanknopingspunten geboden die reden zouden kunnen zijn voor nader onderzoek. Daarom slaagt het beroep op de hardheidsclausule niet. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 12 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:456).
Conclusie
8.       Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
9.       De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. B. Meijer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.J.R. Hazen, griffier.
w.g. Meijer
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Hazen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 3 december 2025
452-1112