ECLI:NL:RVS:2025:5845

Raad van State

Datum uitspraak
3 december 2025
Publicatiedatum
3 december 2025
Zaaknummer
202406112/1/R4
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • B.P.M. van Ravels
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4.6 Invoeringswet OmgevingswetArt. 41.2 bestemmingsplan BuitengebiedArt. 41.3 bestemmingsplan BuitengebiedWet ruimtelijke ordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen wijzigingsplan buitengebied Kruisstraat te Tiel

Het college van burgemeester en wethouders van Tiel heeft het wijzigingsplan 'Buitengebied - Buitenplaats Kruisstraat' vastgesteld, dat voorziet in de bouw van drie vrijstaande woningen, de aanleg van een weg en een bos met wandelpaden op een open weiland aan de oostkant van de Kruisweg in Tiel.

Appellanten, wonend aan een perceel grenzend aan het wijzigingsplangebied, maakten bezwaar vanwege mogelijke aantasting van hun woon- en leefklimaat, met name door verlies van uitzicht en privacy door de ligging van de woningen en wandelpaden.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelt dat het college de belangen van appellanten voldoende heeft meegewogen en dat het plan niet leidt tot een onevenredige aantasting van uitzicht of privacy. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het beroep tegen het wijzigingsplan wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

202406112/1/R4.
Datum uitspraak: 3 december 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant A] en [appellante B], wonend in Tiel (hierna samen en in enkelvoud: [appellanten]),
appellanten,
en
het college van burgemeester en wethouders van Tiel,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 9 juli 2024 heeft het college het wijzigingsplan "Buitengebied - Buitenplaats Kruisstraat" (hierna: het wijzigingsplan) gewijzigd vastgesteld.
Tegen dit besluit heeft [appellanten] beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 november 2025, waar [appellanten], bijgestaan door mr. J.J.D. Boersma, advocaat te Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door G.J.K. Leemreize, zijn verschenen. Voorts zijn ter zitting [partij A], [partij B] en [partij C], bijgestaan door mr. M.E. Horseling, rechtsbijstandverlener te Apeldoorn, als partij gehoord.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1.       Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een wijzigingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het wijzigingsplan onherroepelijk is.
Het ontwerpwijzigingsplan is op 29 november 2023 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.
Inleiding
2.       Het wijzigingsplan voorziet in de bouw van drie vrijstaande woningen, de aanleg van een weg naar de woningen toe en de aanleg van een bos met publiek toegankelijke wandelpaden om de woningen heen, op een aantal percelen aan de oostkant van de Kruisweg in Tiel (hierna: het wijzigingsplangebied). In het wijzigingsplangebied ligt nu nog een open weiland. Het college duidt het geheel van de woningen, de weg en het bos aan als een buitenplaats.
3.       Het college heeft het wijzigingsplan vastgesteld met toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in artikel 41.2 van de regels van het bestemmingsplan "Buitengebied" (hierna: het bestemmingsplan onderscheidenlijk de bestemmingsplanregels). Op grond van het bestemmingsplan rust op het gehele wijzigingsplangebied de enkelbestemming "Agrarisch" met de gebiedsaanduiding "Overige zone - stedelijk uitloopgebied". In de genoemde bepaling staat dat het college bevoegd is die bestemming te wijzigen ten behoeve van het realiseren van een buitenplaats, indien wordt voldaan aan een aantal voorwaarden.
4.       [appellanten] woont aan de [locatie] in Tiel. Zijn perceel grenst aan de zuidwestzijde van het wijzigingsplangebied. [appellanten] kan zich niet met alle aspecten van het wijzigingsplan verenigen, omdat hij vreest voor aantasting van zijn woon- en leefklimaat.
Toetsingskader
5.       Met het bestaan van de wijzigingsbevoegdheid in een bestemmingsplan mag de planologische aanvaardbaarheid van de nieuwe bestemming binnen het gebied waarover de wijzigingsbevoegdheid gaat in beginsel als een gegeven worden beschouwd als is voldaan aan de in het bestemmingsplan gestelde wijzigingsvoorwaarden. Dit neemt niet weg dat het bij het vaststellen van een wijzigingsplan gaat om een bevoegdheid en niet om een plicht. Het feit dat is voldaan aan de wijzigingsvoorwaarden die in een bestemmingsplan zijn opgenomen, doet niets af aan de plicht van het college van burgemeester en wethouders om in de besluitvorming over de vaststelling van een wijzigingsplan ook na te gaan of uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening, gelet op de betrokken belangen, wijziging van de oorspronkelijke bestemming gerechtvaardigd is.
6.       De relevante bepalingen uit de bestemmingsplanregels zijn opgenomen in een bijlage bij deze uitspraak. De bijlage maakt onderdeel uit van deze uitspraak.
Gronden van het beroep
7.       [appellanten] betoogt dat het wijzigingsplan niet in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening is omdat het college onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn belangen. Hij voert hiertoe ten eerste aan dat de drie woningen, die het wijzigingsplan mogelijk maakt, ver achter de lijn van de huidige bebouwing aan de Kruisstraat liggen. Hierdoor wordt volgens [appellanten] het vrije uitzicht vanuit zijn woning op de achtergelegen Ophemertsedijk sterk beperkt. [appellanten] meent dat dit kan worden verholpen door de drie beoogde woningen ongeveer 8 m richting de Kruisstraat op te schuiven.
Ten tweede wijst [appellanten] op de ligging van de publieke wandelpaden door het bos zoals voorzien in het wijzigingsplan. Hij stelt dat één van de paden langs zijn perceelgrens loopt op een afstand van minder dan 10 m. Aangezien daar geen begroeiing of andere erfafscheiding staat, vreest [appellanten] dat wandelaars vanaf dat pad vrijelijk in zijn tuin en woning zullen kunnen kijken. Als dat gebeurt, maakt dat volgens hem een onaanvaardbare inbreuk op zijn privacy. [appellanten] meent dat het wandelpad om die reden elders in het wijzigingsplangebied moet worden gelegd, bijvoorbeeld aan de noordoostzijde daarvan. Om daarvoor plaats te maken kunnen volgens hem de voorziene woningen desnoods nog een stukje richting de woning van [appellanten] worden opgeschoven.
7.1.    Het college stelt zich op het standpunt dat [appellanten] geen recht heeft op een blijvend vrij uitzicht, maar dat wel al enigszins tegemoet is gekomen aan [appellanten]’ wens om uitzicht op de dijk te behouden. In de zuidelijke hoek van de beplanting in het wijzigingsplangebied zijn om die reden fruitbomen voorzien in plaats van bos, aldus het college.
Ook aan [appellanten]’ zorgen om zijn privacy is volgens het college al tegemoetgekomen. De ligging van het voetpad is namelijk naar aanleiding van de zienswijze van [appellanten] gewijzigd ten opzichte van het ontwerpwijzigingsplan, en is nu enkele meters verder van de perceelsgrens ingetekend dan eerst. Het is volgens het college niet wenselijk om aan de zuidelijke kant van het wijzigingsplangebied helemaal geen voetpad te leggen, aangezien een groot deel van het bos daardoor niet toegankelijk zou zijn. De voorziene woningen een stukje naar het zuidwesten opschuiven is volgens het college niet mogelijk, omdat de oprijlaan dan hinder zou veroorzaken bij de buren aan de overkant van de Kruisstraat. Het college heeft ter zitting gesteld dat er eventueel wel over te praten is om langs het pad toch hoge bomen en begroeiing te planten, mocht [appellanten] dat liever hebben dan de eerder genoemde fruitbomen.
7.2.    De Afdeling stelt vast dat het wijzigingsplangebied ten noorden en oosten van het perceel van [appellanten] ligt. De Afdeling acht het aannemelijk dat [appellanten] enig verlies van uitzicht zal hebben door de drie voorziene woningen en de aanplant van het voorziene bos. Het college heeft zich echter, naar het oordeel van de Afdeling, op het standpunt mogen stellen dat van een onevenredige aantasting geen sprake is. De Afdeling neemt hierbij in aanmerking dat het dichtstbijzijnde bouwvlak op een afstand van ruim 30 m van de woning van [appellanten] ligt, wat een relatief grote afstand is, en dat [appellanten] wel vrij zicht behoudt op de Ophemertsedijk in zuidoostelijke richting. De Afdeling wijst er bovendien op dat er in de ruimtelijke ordening, zoals het college terecht heeft gesteld, geen recht bestaat op een blijvend vrij uitzicht.
De Afdeling stelt verder vast dat het voetpad dat door het bos is voorzien, niet vlak langs de perceelsgrens loopt. Gelet op het inrichtingsplan dat deel uitmaakt van het wijzigingsplan, is het voetpad voorzien op ongeveer 12 m afstand van de perceelsgrens en loopt het door een boomgaard. Hoewel enige kijk van het voetpad op de woning en de tuin van [appellanten] niet is uitgesloten, is de Afdeling van oordeel dat het college zich op het standpunt mocht stellen dat in die omstandigheden geen sprake is van een onevenredige aantasting van de privacy van [appellanten].
Voor zover [appellanten] betoogt dat het college een alternatieve inrichting van het wijzigingsplangebied had moeten kiezen, waarbij de woningen en de voetpaden anders zouden moeten worden ingetekend, overweegt de Afdeling als volgt. Het college heeft toegelicht dat zijn keuze voor de locatie van de bouwvlakken te maken heeft met de gewenste uitstraling van een buitenplaats, wat de bestemming is waarvoor het wijzigingsplan mogelijk is gemaakt in de bestemmingsplanregels, en met de belangen van andere omwonenden. Het college heeft ook toegelicht waarom een voetpad wenselijk is aan de zuidzijde van het wijzigingsplangebied. Gelet hierop heeft het college toereikend gemotiveerd waarom niet voor een alternatieve inrichting is gekozen.
7.3.    De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat de vaststelling van het wijzigingsplan niet in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening is.
Het betoog faalt.
Conclusie
8.       Het beroep is ongegrond.
9.       Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. B.P.M. van Ravels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M.C. Hoekstra, griffier.
w.g. Van Ravels
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Hoekstra
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 3 december 2025
860
Bijlage
Bestemmingsplan "Buitengebied"
Artikel 41 Algemene Pro wijzigingsregels
41.2 Buitenplaatsen
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het plan te wijzigen ten behoeve van het realiseren van buitenplaatsen indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
a.       de wijzigingsbevoegdheid is uitsluitend van toepassing op de met de aanduiding 'overige zone - stedelijk uitloopgebied' aangeduide gronden;
b.       de oppervlakte van een buitenplaats dient ten minste 1,5 ha aaneengesloten gebied te zijn, waarbij doorsnijdingen door smalle wegen (maximaal 5 m verharding) en waterlopen, niet als een scheiding worden aangemerkt;
c.       ten minste 2/3 gedeelte van de buitenplaats dient overdag openbaar toegankelijk te zijn ten behoeve van extensieve recreatie, zoals wandelen en fietsen;
d.       een door de gemeente goed te keuren landschapsinrichtingsplan moet worden opgesteld, waarin rekening gehouden wordt met de belangen van cultuurhistorie, landschap, ecologie, waterhuishouding en -berging en de belangen van eigenaren en gebruikers van aangrenzende percelen;
e.       op een buitenplaats mogen maximaal 3 wooneenheden worden gerealiseerd, naast de bestaande woningen/ wooneenheden. De nieuwe wooneenheden dienen in één hoofdgebouw of gebouwencomplex met architectonische samenhang te worden gerealiseerd. Van een gebouwencomplex is sprake indien de woningen/ wooneenheden in een complex met architectonische samenhang zijn ondergebracht (hoofdgebouw en bijgebouwen), waarvan de onderlinge afstand maximaal 15 m bedraagt;
f.       indien een buitenplaats groter is dan 1,5 ha mag er voor elke hectare die de buitenplaats groter is dan 1 ha een extra wooneenheid worden toegevoegd. Hiervoor kan er een tweede bouwkavel worden opgenomen, die qua omvang en situering ondergeschikt is aan het hoofdgebouw/ gebouwencomplex;
g.       ten minste de helft van de buitenplaats dient te bestaan uit opgaand (park)bos, waterpartijen en gazons hier niet onder begrepen;.
41.3 Aanvullende regels buitenplaatsen
Bij het toepassen van de onder 41.2 bedoelde wijzigingsbevoegdheid kunnen burgemeester en wethouders ten aanzien van de bestaande bebouwing de volgende aanvullende regels opnemen:
a.       indien een bestaande woning wordt aangemerkt als ontsierend in het kader van de nieuwe ontwikkelingen mag een vervangende woning met bijgebouwen worden opgenomen waarop de bepalingen van de bestemming ‘Wonen’ van overeenkomstige toepassing zijn. Indien dit landschappelijke waarden van het plangebied versterkt, kan de woning op een andere plaats herbouwd worden. De woning kan ook aan de woningen/ wooneenheden in het hoofdgebouw/ gebouwencomplex worden toegevoegd;
b.       indien bestaande bedrijfsgebouwen worden gesloopt en niet worden vervangen als bijgebouwen als bedoeld onder 41.2, mag bij iedere sloopactiviteit van tenminste 1.000 m² of 5.000 m³ een extra woning/ wooneenheid worden opgenomen, waarop de bepalingen van de bestemming ‘wonen’ van overeenkomstige toepassing zijn. Deze woning/wooneenheid kan als aparte woning/ wooneenheid worden gerealiseerd dan wel worden toegevoegd aan het aantal woningen/ wooneenheden in het hoofdgebouw/ gebouwencomplex;
c.       de woningen mogelijk op basis van dit lid dienen qua omvang en situering ondergeschikt te zijn aan het hoofdgebouw/ gebouwencomplex op de buitenplaats.