202503485/1/R4.
Datum uitspraak: 3 december 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant], wonend in Den Haag,
appellant,
en
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 21 maart 2025 heeft het college zijn beslissing om op 17 maart 2025 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met de Afvalstoffenverordening 2010 aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat een deel van de kosten van de toepassing van bestuursdwang, te weten € 199,57, voor rekening van [appellant] komt.
Bij besluit van 22 mei 2025 heeft het college het door [appellant] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 november 2025, waar [appellant] en het college, vertegenwoordigd door H. Benhammou en mr. F. van Ommeren, zijn verschenen.
Overwegingen
1. De toepassing van spoedeisende bestuursdwang heeft bestaan uit het verwijderen van een kartonnen doos, die op 17 maart 2025 is aangetroffen naast een papiercontainer aan de Vier Heemskinderenstraat in Den Haag, bij huisnummer […]. Het college is ervan uitgegaan dat [appellant] de doos verkeerd heeft aangeboden, omdat op de doos een adreslabel zat met zijn naam en adres.
2. [appellant] bevestigt dat hij de doos naast de papiercontainer heeft gezet, maar hij betwist dat hij daardoor een overtreding heeft begaan. Hij stelt dat de papiercontainer vol was en dat dat vaker het geval is. Bovendien stond er ook al afval van anderen naast de container, zo stelt hij. [appellant] meent dat het college hem niet kan aanrekenen dat hij de doos verkeerd heeft aangeboden, als het college zelf onvoldoende toeziet op een tijdige en consistente afvalophaaldienst en ook vindt hij het kwalijk dat hij als enige de rekening gepresenteerd krijgt. Daarbij stelt [appellant] dat hij heel milieubewust is en zijn afval altijd scheidt. Als de papiercontainer niet vol was geweest, had hij zijn doos daar dus zeker in gedaan, aldus [appellant].
3. Artikel 9, eerste lid, van de Afvalstoffenverordening 2010 houdt in dat een gebruiker van een perceel voor wie een zogeheten inzamelmiddel of inzamelvoorziening is aangewezen, huishoudelijke afvalstoffen moet aanbieden via het inzamelmiddel of de inzamelvoorziening of het brengdepot.
4. De doos stond naast de papiercontainer en is dus verkeerd aangeboden. Dat is een overtreding van artikel 9, eerste lid, van de Afvalstoffenverordening 2010. Dat de papiercontainer mogelijk vol was op 17 maart 2025, dat dat wellicht wel vaker zo is en dat andere mensen al afval naast de container hadden gezet, maakt dat niet anders. Ook als een container vol is of als anderen al afval naast de container hebben gezet, is het niet toegestaan om dat te doen. Ook dan moet afval op de juiste wijze worden aangeboden, bijvoorbeeld op een ander moment of bij een andere container.
[appellant] heeft bevestigd dat hij degene is die de doos naast de container heeft gezet. Dat betekent dat het college hem terecht als overtreder heeft aangemerkt.
Het betoog slaagt niet.
5. Het beroep is ongegrond.
6. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. G.O. van Veldhuizen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M.C. Hoekstra, griffier.
w.g. Van Veldhuizen
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Hoekstra
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 3 december 2025
860