AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bestuurlijke toetsing ontheffing beheer vogels en dieren voor luchtvaartveiligheid Groningen Airport Eelde
Het college van gedeputeerde staten van Drenthe verleende op 23 januari 2020 een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb) voor het beheer van vogels en dieren ten behoeve van de luchtvaartveiligheid op Groningen Airport Eelde (GAE). Na bezwaar en een uitspraak van de rechtbank werd het besluit van 14 juli 2020 vernietigd wegens gebreken in de motivering en het ontbreken van een faunabeheerplan. Het college stelde vervolgens een nieuw besluit op 12 juli 2021, dat opnieuw werd aangevochten.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelt dat het college op grond van artikel 3.17, vierde en vijfde lid, van de Wnb bevoegd is om ontheffing te verlenen aan GAE zonder faunabeheerplan, vanwege de uitzonderlijke situatie en het belang van vliegveiligheid. Wel stelt de Afdeling vast dat het Wildlife Hazard Management Plan & Faunabeheerplan Groningen Airport Eelde 2018-2022 niet volledig voldoet aan de eisen van de Beleidsregels, met name door het ontbreken van kwantitatieve gegevens en verspreidingsinformatie van enkele diersoorten.
Verder oordeelt de Afdeling dat het college ten onrechte heeft aangenomen dat bepaalde vogelsoorten op basis van de landelijke vrijstelling mogen worden gedood, terwijl daarvoor een aparte ontheffing vereist is. Ook is onvoldoende gemotiveerd waarom het lang gras-beheer geen bevredigende oplossing is en waarom preventieve maatregelen niet altijd effectief zijn. De escalatieladder is wel adequaat en het afschot wordt als laatste redmiddel toegepast.
Het hoger beroep van het college wordt gegrond verklaard, het incidenteel hoger beroep van de stichtingen Fauna4life en Animal Rights wordt ongegrond verklaard. Het besluit van 12 juli 2021 wordt vernietigd vanwege schending van artikel 7:12 AwbPro en onvoldoende motivering. Het college hoeft geen nieuw besluit te nemen omdat de ontheffing inmiddels is verlopen. Het college wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten aan de stichtingen.
Uitkomst: Het besluit van 12 juli 2021 wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering en kwantitatieve gegevens, het college hoeft geen nieuw besluit te nemen.
Uitspraak
202104045/1/A3.
Datum uitspraak: 3 december 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op de hoger beroepen van:
1. het college van gedeputeerde staten van Drenthe,
2. Stichting Fauna4life, gevestigd te Amstelveen, en Stichting Animal Rights, gevestigd te Den Haag
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank NoordNederland van 3 mei 2021 in zaak nr. 20/2272 in het geding tussen:
Fauna4life
en
het college.
Procesverloop
Bij besluit van 23 januari 2020 heeft het college ontheffing verleend op grond van de Wet natuurbescherming (hierna: de Wnb) voor het beheer van vogels en dieren ten behoeve van de luchtvaartveiligheid op Groningen Airport Eelde (hierna: GAE).
Bij besluit van 14 juli 2020 heeft het college de door Stichting Fauna4life en Stichting Animal Rights (hierna tezamen: de stichtingen) daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard, de motivering aangevuld en de ontheffing gewijzigd.
Bij uitspraak van 3 mei 2021 heeft de rechtbank het door Stichting Fauna4life daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 14 juli 2020 vernietigd en bepaald dat het college een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.
Tegen deze uitspraak heeft het college hoger beroep ingesteld.
De stichtingen hebben incidenteel hoger beroep ingesteld.
De stichtingen hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Het college heeft een zienswijze ingediend.
Bij besluit van 12 juli 2021 heeft het college opnieuw het bezwaar gegrond verklaard, de motivering van het besluit van 23 januari 2020 aangevuld, en het besluit van 23 januari 2020 in stand gelaten, onder aanvulling van dit besluit met de wijzigingen die daarop bij besluit van 14 juli 2020 waren aangebracht.
Bij brieven van 19 augustus 2021 en 20 december 2022 hebben de stichtingen daartegen gronden ingediend.
Het college heeft nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak, gevoegd met zaak nummer 202107671/1/A3, op een zitting behandeld op 28 mei 2024, waar zijn verschenen het college, vertegenwoordigd door mr. P. Mendelts, vergezeld door mr. L. de Jager en A. Dreijer, en de Stichting Fauna4life en de Stichting Animal Rights, beide vertegenwoordigd door mr. M. van Duijn, advocaat te Den Haag. Verder is Groningen Airport Eelde N.V., vertegenwoordigd door [gemachtigde A] en [gemachtigde B], als derde-belanghebbende verschenen. Na de zitting zijn de zaken gesplitst.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Aanvullingswet natuur Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een ontheffing is ingediend vóór inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 2.9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Aanvullingswet natuur Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk voor dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt.
De aanvraag om een ontheffing is ingediend op 24 oktober 2019. Dat betekent dat in dit geval de Wnb, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
2. Het wettelijke kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.
Inleiding
3. Bij besluit van 23 januari 2020 heeft het college aan luchthaven GAE ontheffing verleend op grond van de Wnb voor het beheer van vogels en dieren ten behoeve van de luchtvaartveiligheid op GAE, geldend tot 31 december 2022. Voor de uitvoering van deze ontheffing zijn de volgende middelen aangewezen: geweren, honden (niet zijnde lange honden), kastvallen, vangkooien, vangnetten, balchatri, en slag-, snij- of steekwapens. In bezwaar heeft het college de motivering aangevuld en de ontheffing gewijzigd in die zin dat de ontheffing niet langer ziet op een aantal nader genoemde diersoorten die niet zijn beschermd in de Wnb, op een andere grond worden beheerd en diersoorten die niet langer worden beheerd door GAE. Volgens het college is de ontheffing voor het beheer van vogels en dieren nodig in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer. Er bestaat geen andere bevredigende oplossing en de ontheffing leidt niet tot verslechtering van de staat van instandhouding van de soorten genoemd in bijlage 2 bij de beslissing op bezwaar.
Aangevallen uitspraak
4. De rechtbank heeft geconstateerd dat door het college op grond van artikel 3.17, vijfde lid, van de Wnb ontheffing is verleend van artikelen 3.3 en 3.10, in samenhang met artikel 3.8 van de Wnb. Volgens de rechtbank kan het college aan artikel 3.17, vijfde lid, van de Wnb geen bevoegdheid ontlenen om de ontheffing te verlenen. Volgens het college is het onmogelijk om een faunabeheerplan te maken. Dat is naar het oordeel van de rechtbank het gevolg van de eigen keuze om het luchthaventerrein uit te zonderen van het werkgebied van de faunabeheereenheid.
Samenvatting van het oordeel van de Afdeling
5. De Afdeling geeft in deze uitspraak een oordeel over de wijze waarop en met welke onderbouwing het college een ontheffing mag verlenen voor het beheer van dieren op het luchthaventerrein van GAE. In het hoger beroep ligt de vraag voor op grond van welke wettelijke bepaling het college aan luchthaven GAE een ontheffing mag verlenen voor het beheer van dieren op het luchthaventerrein. Het luchthaventerrein van GAE is uitgezonderd van het werkingsgebied van de Faunabeheereenheid. Daarom kan de Faunabeheereenheid geen faunabeheerplan als bedoeld in artikel 3.12 van de Wnb opstellen voor het luchthaventerrein en kan geen ontheffing worden verleend aan de Faunabeheereenheid op grond van artikel 3.17, tweede lid, van de Wnb. Naar het oordeel van de Afdeling is het mogelijk om aan luchthaven GAE een ontheffing te verlenen op grond van artikel 3.17, vierde en vijfde lid, van de Wnb. De noodzaak van de werkzaamheden waarvoor ontheffing wordt verleend, ligt niet zozeer in het duurzaam beheer van populaties, maar in het voorkomen van aanvaringen tussen vliegtuigen en dieren. Hiervoor is specifiek getraind personeel aanwezig op de luchthaven. Uit de toelichting op de Beleidsregels Wet natuurbescherming provincie Drenthe volgt dat het college alleen rechtstreeks, in geval van het belang van veiligheid van luchtverkeer, een ontheffing verleent op basis van een overeenkomstig artikel 3.5 van de Beleidsregels opgesteld faunabeheerplan aan de luchthavenbeheerders van GAE of van vliegveld Hoogeveen.
In de beroepen ligt de vraag voor of de onderbouwing van de ontheffing in de besluiten voldoet aan de vereisten die zijn neergelegd in de Wnb en de Beleidsregels. Zoals volgt uit artikel 3.3, vierde lid, sub b, onder 2º, van de Wnb en artikel 9, eerste lid, onder a, van de Vogelrichtlijn is de veiligheid van het luchtverkeer een gerechtvaardigd belang op grond waarvan een ontheffing mag worden verleend. Wanneer dat belang in het geding is, is de noodzaak gegeven. Deze noodzaak is aldus erkend door de wetgever. Ditzelfde geldt wanneer de noodzaak verband houdt met bestendig beheer van vliegvelden. Naar het oordeel van de Afdeling bevestigt de uitgebreide escalatieladder dat pas tot afschot wordt overgegaan wanneer er geen andere bevredigende oplossing meer voorhanden is. De Afdeling constateert dat het Wildlife Hazard Management Plan & Faunabeheerplan Groningen Airport Eelde 2018 t/m 31 december 2022 op enkele punten niet in overeenstemming is met het bepaalde in artikel 3.5 van de Beleidsregels. Hoewel voor het merendeel van de diersoorten in het plan een uitgebreide motivering is gegeven, zijn in dat plan de kwantitatieve gegevens ten aanzien van enkele diersoorten waarvan de schade wordt bestreden op de luchthaven minder nauwkeurig weergegeven dan vereist is volgens de Beleidsregels. Zo ontbreken van enkele diersoorten de verspreidingsgegevens over de aanwezigheid van de populaties in het betrokken gebied gedurende het jaar. Verder oordeelt de Afdeling dat het college er ten onrechte vanuit is gegaan dat bepaalde vogels op grond van de landelijke vrijstelling mogen worden gedood. Deze vogelsoorten zijn echter niet met het oog op de vliegveiligheid op de landelijke vrijstelling geplaatst. Wanneer deze dieren gedood moeten worden in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer (artikel 3.3, vierde lid, sub b, onder 2º, van de Wnb), moet dat op grond van een faunabeheerplan, een vliegveiligheidsplan als bedoeld in de Beleidsregels of een aparte ontheffing.
Hoger beroep van het college
6. Het college betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de ontheffing niet zonder faunabeheerplan als bedoeld in artikel 3.12 van de Wnb mocht worden verleend. Daartoe voert het college aan dat artikel 3.17, vijfde lid, van de Wnb een uitzondering biedt op het uitgangspunt dat ontheffingen worden verleend aan een Faunabeheereenheid op basis van een goedgekeurd faunabeheerplan. Het college kan zodoende een ontheffing voor populatiebeheer of schadebestrijding verlenen voor handelingen die niet op grond van een faunabeheerplan worden verricht, indien de noodzaak ontbreekt voor een faunabeheerplan, gelet op de specifieke kenmerken van de desbetreffende diersoort dan wel de aard of omvang van de te verrichten handelingen. Het college betoogt dat het beoordelingsvrijheid toekomt bij de toepassing van artikel 3.17, vijfde lid, van de Wnb en dat de rechtbank slechts een redelijkheidstoets mag uitvoeren. De rechtbank heeft daarom ten onrechte haar eigen oordeel in de plaats gesteld voor dat van het college dat de noodzaak voor een faunabeheerplan als bedoeld in artikel 3.12 van de Wnb ontbreekt.
Het ligt volgens het college in de aard van de te verrichten handelingen, zoals genoemd in artikel 3.17, vijfde lid, van de Wnb, dat de noodzaak van een door de Faunabeheereenheid op te stellen faunabeheerplan ontbreekt. De ontheffing is verleend voor het beheren van diersoorten op een luchthaven, waarbij niet alleen nationale wetgeving relevant is, maar ook regelgeving vanuit de European Aviation Safety Agency (EASA). GAE heeft een grote verantwoordelijkheid om de veiligheid op de luchthaven te garanderen, wat betekent dat vogelaanvaringen moeten worden voorkomen. Het beheer van diersoorten is op grond van de ontheffing alleen toegestaan nadat preventieve middelen zijn ingezet en alleen voor het luchthaventerrein. Het beheer vindt heel lokaal als probleemoplossing plaats. Het gaat niet om bestandsbeheer, maar om het voorkomen van (acute) noodsituaties. Het beheer in het kader van het beheersen van de risico’s ten aanzien van de veiligheid van het luchtverkeer is bovendien zodanig specifiek dat de luchthaven zelf medewerkers met specifieke expertise hiervoor in dienst heeft. De handelingen waarvoor ontheffing is verleend, worden niet door vrijwilligers, verenigd in een wildbeheereenheid, uitgevoerd.
Het college wijst erop dat het GAE aan haar aanvraag een onderliggend plan ten grondslag dient te leggen. Hiervoor zijn in de Beleidsregels Wet natuurbescherming eisen opgenomen. Dit plan is evenwel geen faunabeheerplan als bedoeld in artikel 3.12 van de Wnb. Er kan ook geen faunabeheerplan aan ten grondslag worden gelegd, omdat de luchthavens Eelde en Hoogeveen zijn uitgezonderd van het werkgebied van de Faunabeheereenheid Drenthe dat conform artikel 3.12, negende lid, van de Wnb is vastgelegd in de Provinciale Omgevingsverordening Drenthe.
Kader voor de ontheffing
6.1. Het systeem van de Wnb is zo ingericht, dat een ontheffing van de verbodsbepalingen van het, in dit geval, doden dan wel vangen van beschermde dieren onder strikte voorwaarden door het college aan faunabeheereenheden kan worden verleend. De faunabeheereenheid moet dan overeenkomstig het vastgestelde faunabeheerplan handelen.
6.2. In uitzonderlijke gevallen kan de ontheffing aan een andere partij dan de faunabeheereenheid worden verleend (artikel 3.17, vierde lid, van de Wnb). Dit kan aan de orde zijn als een langjarige planmatige aanpak niet nodig is naar het oordeel van gedeputeerde staten of wanneer er geen faunabeheereenheid actief is, zoals bijvoorbeeld bij het beheer van terreinen die vallen onder de verantwoordelijkheid van het Ministerie van Defensie (memorie van toelichting, Kamerstukken II 2011/12, 33 348, nr. 3, p. 169). Artikel 3.17, vierde en vijfde lid bieden de mogelijkheid om, in afwijking van de hoofdregel, ontheffingen te verlenen aan anderen dan faunabeheereenheden respectievelijk voor handelingen die geen onderdeel uitmaken van het faunabeheerplan. Deze voorziening stelt het bevoegde gezag in staat tot flexibiliteit in situaties dat in zijn oordeel de noodzaak voor tussenkomst, van een faunabeheereenheid of een faunabeheerplan ontbreekt; bijvoorbeeld in onvoorziene situaties waarin haast geboden is (memorie van toelichting, Kamerstukken II 2011/12, 33 348, nr. 3, p. 268).
6.3. In artikel 3.13, tweede lid, van de Provinciale Omgevingsverordening Drenthe 2018 is bepaald dat de luchthavens Eelde en Hoogeveen zijn uitgezonderd van het werkgebied van de faunabeheereenheid Drenthe. Dit wordt als volgt toegelicht: "Uitgangspunt van het systeem van faunabeheer is dat in een bepaald gebied gedurende een langere periode integraal beheer wordt gevoerd. Om dat te bereiken moet het faunabeheerplan gelden voor een deel van het werkgebied van de faunabeheereenheid dat groot genoeg is om een verantwoord en duurzaam faunabeheer te kunnen voeren in samenhang met schadebestrijding en de uitoefening van de jacht. Er zijn echter situaties waarbij het wenselijk is om hiervan af te wijken. Dit is in artikel 3.13, derde lid, van de Omgevingsverordening geregeld. Om de bestaande situatie met betrekking tot de provinciale luchthavens vast te leggen is daarnaast een uitzondering gemaakt in artikel 3.13, tweede lid, van de Omgevingsverordening. […]"
6.4. Artikel 3.5 Eisen faunabeheerplan (burger)luchthavens van de Beleidsregels Wet natuurbescherming provincie Drenthe luidde ten tijde het besluit van 14 juli 2020 als volgt:
"1. Een faunabeheerplan voor (burger)luchthavens binnen de provincie Drenthe beschrijft een planmatige, gecoördineerde en duurzame bestrijding van schadeveroorzakende dieren op luchthavens door grondgebruikers.
2. Een faunabeheerplan bevat ten minste de volgende gegevens:
a. de omvang van het werkgebied van het faunabeheerplan;
b. een kaart waarop de begrenzing van het werkgebied van het faunabeheerplan is aangegeven."
Ook het derde en vierde lid omschrijven waaraan een dergelijk faunabeheerplan tenminste moet voldoen.
Volgens de toelichting bij de beleidsregels is de regeling voor een faunabeheerplan sui generis voor (burger)luchthavens binnen de provincie Drenthe afgeleid van de eisen die in paragraaf 4.4.2 van de Provinciale Omgevingsverordening Drenthe zijn gesteld aan een faunabeheerplan als bedoeld artikel 3.12, eerste lid, van de Wet natuurbescherming die door de Faunabeheereenheid Drenthe wordt vastgesteld. Daarbij geeft de provincie, vanwege het belang van de bescherming van het vliegverkeer en vogelaanvaringspreventie, op voorhand een aantal aanvullende punten mee voor dit plan. Gedeputeerde staten verlenen alleen rechtstreeks, in geval van het belang veiligheid van luchtverkeer, een ontheffing op basis van dit faunabeheerplan aan de luchthavenbeheerders van Groningen Airport Eelde of van vliegveld Hoogeveen. Deze bevoegdheid wordt ontleend aan artikel 3.17, vijfde lid, van de Wnb. In het Flora- en Faunabeleidsplan hebben Provinciale Staten uitdrukkelijk opdracht gegeven aan het college om op dit punt beleidsregels op te stellen.
Het neerleggen van de bevoegdheid bij het college om regels te stellen aan een faunabeheerplan voor luchthavens volgt uit het nadrukkelijk neerleggen van deze bevoegdheid door Provinciale Staten in het Flora- en Faunabeleidsplan.
Oordeel van de Afdeling
6.5. In hoger beroep ligt de vraag voor op grond van welke wettelijke bepaling het college aan luchthaven GAE een ontheffing mag verlenen voor het beheer van dieren op het luchthaventerrein. Ter zitting bij de Afdeling heeft het college toegelicht dat beoogd is toepassing te geven aan beide uitzonderingen bedoeld in artikel 3.17, vierde en vijfde lid, van de Wnb. Het college betoogt dat er geen faunabeheerplan als bedoeld in artikel 3.12, eerste lid, van de Wnb aan de ontheffing ten grondslag kan worden gelegd, omdat de luchthavens Eelde en Hoogeveen zijn uitgezonderd van het werkgebied van de Faunabeheereenheid. Geen van de partijen die deel uitmaken van de Faunabeheereenheid hebben expertise op het gebied van luchtvaartrisico’s.
6.6. De Afdeling overweegt als volgt. De regels voor vliegverkeer hebben over het algemeen een specifiek karakter en komen internationaal tot stand. Dat speelt zich in een heel ander domein af dan de natuurbescherming. Dit rechtvaardigt, gelet op p. 169 van de eerdergenoemde memorie van toelichting, de toepassing van artikel 3.17, vierde lid, van de Wnb. Het vijfde lid is, zoals volgt uit de memorie van toelichting, p. 268, een uitzondering die onder meer van toepassing is in onvoorziene situaties waarin haast is geboden. Hoewel in dit geval duurzaam gebruik wordt gemaakt van de uitzonderingsbepaling, is de Afdeling van oordeel dat sprake is van een onvoorziene situatie in de zin van artikel 3.17, vijfde lid, van de Wnb, omdat niet op voorhand voorspelbaar is welke dieren op welk moment een bedreiging vormen voor de vliegveiligheid. Er kan dus elk moment een noodzaak ontstaan om op korte termijn te handelen.
De Afdeling is daarom van oordeel dat het mogelijk is om aan luchthaven GAE een ontheffing te verlenen op grond van artikel 3.17, vierde en vijfde lid, van de Wnb. De noodzaak van de werkzaamheden waarvoor ontheffing wordt verleend, ligt niet zozeer in het duurzaam beheer van populaties, maar in het voorkomen van aanvaringen tussen vliegtuigen en dieren. Hiervoor is specifiek getraind personeel aanwezig op de luchthaven. Uit de toelichting op de beleidsregels volgt dat het college alleen rechtstreeks, in geval van het belang van veiligheid van luchtverkeer, een ontheffing verleent op basis van dit overeenkomstig artikel 3.5 van de Beleidsregels opgestelde faunabeheerplan aan de luchthavenbeheerders van GAE of van vliegveld Hoogeveen. Dit is niet mogelijk wanneer op grond van artikel 3.17, tweede lid, van de Wnb de ontheffing slechts aan de faunabeheereenheid kan worden verleend.
6.7. Het betoog slaagt.
7. Reeds hierom is het hoger beroep van het college gegrond. Hetgeen overigens in hoger beroep van het college is aangevoerd behoeft geen bespreking meer.
Incidenteel hoger beroep van de stichtingen
8. De stichtingen hebben incidenteel hoger beroep ingesteld. Zij voeren aan dat de rechtbank ten onrechte niet het door Stichting Animal Rights ingestelde beroep gegrond heeft verklaard. Het college beaamt dat de rechtbank kennelijk is vergeten de naam van Stichting Animal Rights te noemen. De stichtingen procederen evenwel samen, dus het niet noemen van Animal Rights heeft geen invloed op de door de rechtbank toegekende proceskostenveroordeling en vergoeding van het griffierecht.
9. Verder betogen de stichtingen dat de rechtbank, ondanks het oordeel dat de bevoegdheid tot het nemen van de ontheffing ontbreekt, het besluit van 23 januari 2020 in stand heeft gelaten. De rechtbank had het besluit van 23 januari 2020 ook moeten herroepen voor zover dat ziet op het doden van dieren.
9.1. De rechtbank is niet toegekomen aan een beoordeling van de inhoud van de ontheffing. Daarom heeft de rechtbank geen aanleiding hoeven zien om ook het besluit van 23 januari 2020 te herroepen.
Conclusie hoger beroepen
10. Het hoger beroep van het college is gegrond. Het incidenteel hoger beroep van de stichtingen is ongegrond. De Afdeling beoordeelt het beroep. Daarbij bespreekt zij alleen beroepsgronden waarover de rechtbank nog geen oordeel heeft gegeven en beroepsgronden waarop na de overwegingen in hoger beroep nog moet worden beslist. Gelet op hetgeen hierna wordt overwogen, leidt het gegronde hoger beroep van het college niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak.
Beroep tegen het besluit van 14 juli 2020
11. De stichtingen hebben in hun beroepschrift expliciet vermeld dat dit zich niet richt op het vangen van dieren.
12. Artikel 3.5 Eisen faunabeheerplan (burger)luchthavens van de Beleidsregels Wet natuurbescherming provincie Drenthe luidde ten tijde het besluit van 14 juli 2020 als volgt:
"1. Een faunabeheerplan voor (burger)luchthavens binnen de provincie Drenthe beschrijft een planmatige, gecoördineerde en duurzame bestrijding van schadeveroorzakende dieren op luchthavens door grondgebruikers.
2. Een faunabeheerplan bevat ten minste de volgende gegevens:
a. de omvang van het werkgebied van het faunabeheerplan;
b. een kaart waarop de begrenzing van het werkgebied van het faunabeheerplan is aangegeven.
3. Voor wat betreft schadebestrijding bevat het beheerplan ten minste de volgende gegevens:
a. een beschrijving van de wijze waarop de planmatigheid en de coördinatie van de uitvoering van schadebestrijding is gewaarborgd;
b. kwantitatieve gegevens van de diersoorten ten aanzien waarvan sprake is van schadebestrijding op luchthavens door grondgebruikers met inbegrip van verspreidingsgegevens over de aanwezigheid van de populaties in het betrokken gebied gedurende het jaar;
c. een onderbouwing van de noodzaak van schadebestrijding;
d. een beschrijving van de mate waarin de veiligheid van het luchtverkeer in de zes jaren voorafgaand aan het ter goedkeuring indienen van het faunabeheerplan zijn geschaad;
e. per diersoort een beschrijving van de handelingen die in de zes jaren voorafgaand aan het ter goedkeuring indienen van het faunabeheerplan, zijn verricht om het schaden van de in onderdeel b bedoelde belangen te voorkomen, alsmede, voor zover daarover redelijkerwijs kwantitatieve gegevens beschikbaar zijn, een beschrijving van de effectiviteit van die handelingen;
f. per diersoort een beschrijving van de aard, omvang en noodzaak van de handelingen die zullen worden verricht om de schade zoals bedoeld in onderdeel d te voorkomen dan wel te beperken;
g. voor zover daarover kwantitatieve gegevens beschikbaar zijn, een onderbouwde inschatting van de verwachte effectiviteit van de in onderdeel f bedoelde handelingen;
h. een beschrijving van de wijze waarop de effectiviteit van de voorgenomen handelingen zal worden bepaald;
i. een gestructureerd plan waarin de inzet van passende en doeltreffende preventieve maatregelen wordt beschreven waarmee schade wordt voorkomen;
j. een beschrijving van de taken en verantwoordelijkheden van het personeel op de luchthaven verantwoordelijk voor en belast met vogelaanvaringspreventie.
[…]."
13. Wat betreft het beoordelingskader in dit soort zaken, heeft het Hof in het arrest van 21 juni 2018, ECLI:EU:C:2018:477, Commissie/Malta, het volgende overwogen. De lidstaten waarborgen dat elke ingreep die de beschermde soorten raakt, slechts wordt toegestaan op basis van besluiten die steunen op een nauwkeurige en passende motivering waarin wordt verwezen naar de in artikel 9, eerste en tweede lid, van de Vogelrichtlijn vermelde redenen, voorwaarden en vereisten. Dit is voorgeschreven, omdat het hier om een uitzonderingsregeling gaat die strikt moet worden uitgelegd en volgens welke de autoriteit die het besluit neemt voor elke afwijking moet bewijzen dat aan de gestelde voorwaarden is voldaan. In het arrest van 7 maart 1996, ECLI:EU:C:1996:86, Associazione Italiana per il WWF e.a., heeft het Hof overwogen dat de afwijking van de in de Vogelrichtlijn neergelegde verbodsbepalingen moet voldoen aan nauwkeurig omschreven vormvoorwaarden, die tot doel hebben de afwijkingen tot het strikt noodzakelijke te beperken. Hoewel artikel 9 vanPro de Vogelrichtlijn een ruime afwijking van de algemene beschermingsregeling toestaat, moet het niettemin een concrete en gerichte toepassing vinden, teneinde tegemoet te komen aan nauwkeurige vereisten en specifieke situaties (zie de uitspraak van de Afdeling van 19 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1545).
14. De stichtingen betogen dat het besluit in strijd is met artikel 3.5 van de Beleidsregels. Zo moet het faunabeheerplan een beschrijving bevatten van de mate waarin de veiligheid van het luchtverkeer in de zes jaren voorafgaand aan het ter goedkeuring indienen van het faunabeheerplan zijn geschaad. Ook moet de effectiviteit van die handelingen worden beschreven, evenals de effectiviteit van de handelingen en een onderbouwde inschatting van de te verwachten effectiviteit. Volgens de stichtingen is de toelichting erg summier. Zo wordt niet genoemd welke middelen de afgelopen jaren zijn ingezet en bevat tabel 1 van bijlage 3 alleen aantallen bird hits en fauna-incidenten. Hierbij zijn geen definities opgenomen met wat daaronder wordt verstaan.
14.1. De Afdeling overweegt dat het college in artikel 3.5 van de Beleidsregels heeft vastgesteld aan welke vereisten een faunabeheerplan voor (burger)luchthavens binnen de provincie Drenthe moet voldoen. De Afdeling constateert dat het Wildlife Hazard Management Plan & Faunabeheerplan Groningen Airport Eelde 2018 t/m 31 december 2022 op enkele punten niet in overeenstemming is met het bepaalde in artikel 3.5 van de Beleidsregels. Hoewel voor het merendeel van de diersoorten in het plan een uitgebreide motivering is gegeven, zijn in dat plan de kwantitatieve gegevens ten aanzien van enkele diersoorten waarvan de schade wordt bestreden op de luchthaven minder nauwkeurig weergegeven dan vereist is volgens de Beleidsregels. Zo ontbreken van enkele diersoorten de verspreidingsgegevens over de aanwezigheid van de populaties in het betrokken gebied gedurende het jaar.
14.2. Dit betoog slaagt.
15. Reeds hierom slaagt het beroep tegen het besluit van 14 juli 2020. Dat besluit is genomen in strijd met artikel 7:12 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). Hetgeen verder tegen dat besluit is aangevoerd behoeft geen bespreking meer.
Conclusie beroep 14 juli 2020
16. Hoewel op onjuiste gronden, heeft de rechtbank terecht het beroep van de stichtingen gegrond verklaard en het besluit van 14 juli 2020 vernietigd. De aangevallen uitspraak wordt daarom bevestigd, met verbetering van de gronden waarop deze rust.
Besluit van 12 juli 2021
17. Bij besluit van 12 juli 2021 heeft het college gevolg gegeven aan de aangevallen uitspraak en opnieuw op het bezwaar beslist. Het college heeft het bezwaar gegrond verklaard, de motivering van het besluit van 23 januari 2020 aangevuld, en de ontheffing in stand gelaten. De wijzigingen betreffen het schrappen van enkele diersoorten uit bijlage 2 van de ontheffing, het toevoegen van het woord "dieren", het toevoegen van een ontheffing van het verbod op het rapen van eieren en toevoegingen in voorschrift 1, 3.1, 6a en 6.
Daarnaast heeft het college, om voor iedereen duidelijk te maken dat het plan niet wordt aangemerkt als een "normaal" faunabeheerplan als bedoeld in artikel 3.12 van de Wnb, de beleidsregels gewijzigd.
18. Het besluit van 12 juli 2021 wordt, gelet op artikel 6:24 vanPro de Awb, gelezen in samenhang met artikel 6:19 vanPro die wet, geacht voorwerp te zijn van dit geding.
19. De Afdeling is van oordeel dat de stichtingen, anders dan het college betoogt, ondanks dat de termijn waarvoor de ontheffing gold is verstreken, nog altijd belang hebben bij een inhoudelijke beoordeling van hun beroep tegen het besluit van 12 juli 2021. Nu er op GAE beheer dient plaats te vinden om vogelaanvaringen te voorkomen, zal het college daarvoor een nieuwe ontheffing moeten verlenen. Een inhoudelijk oordeel over het besluit van 12 juli 2021 kan van belang zijn voor toekomstige ontheffingen.
20. De stichtingen hebben tegen het besluit van 12 juli 2021 gronden ingediend en betogen onder meer dat op geen enkele wijze is aangetoond dat de noodzaak voor een faunabeheerplan ontbreekt. In de ontheffing wordt verwezen naar "Faunabeheerplan Groningen Airport Eelde", terwijl door de Faunabeheereenheid geen faunabeheerplan in de zin van artikel 3.12 van de Wnb voor het vliegveldterrein is vastgesteld. De verandering van de beleidsregels en het aanpassen van terminologie, naam en eisen aan het beheerplan dat voor het vliegveld geldt, toont niet aan dat de noodzaak voor een faunabeheerplan ontbreekt.
20.1. Zoals de Afdeling reeds onder 6.6 heeft geoordeeld, is het mogelijk om aan luchthaven GAE een ontheffing te verlenen op grond van artikel 3.17, vierde en vijfde lid, van de Wnb. De noodzaak van de werkzaamheden waarvoor ontheffing wordt verleend, ligt niet in zozeer het duurzaam beheer van populaties, maar in het voorkomen van aanvaringen tussen vliegtuigen en dieren. Hiervoor is geen door de Faunabeheereenheid opgesteld faunabeheerplan vereist. Wel moet de motivering van de ontheffing voldoen aan de eisen die daaraan worden gesteld in de Wnb en de Vogelrichtlijn. De in de ontheffing genoemde landzoogdieren worden niet beschermd door de Habitatrichtlijn.
20.2. Het betoog slaagt niet.
Beleidsregels
21. Artikel 3.5 Eisen vliegveiligheidsplan (burger)luchthavens van de Beleidsregels Wet natuurbescherming provincie Drenthe luidde ten tijde van het besluit van 12 juli 2021 als volgt:
"1. Een plan in het kader van het beheer van dierensoorten voor de veiligheid van het luchtverkeer beschrijft de wijze waarop voldaan wordt aan de normen van het Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart voor het beheer van vogels en dieren op het luchthaventerrein.
2. Een veiligheidsplan bevat een kaart waarop de begrenzing van het luchthaventerrein is weergegeven.
3. Voor wat betreft het beheer in het kader van de veiligheid van het luchtverkeer bevat het plan ten minste de volgende gegevens:
a. een beschrijving van de escalatieladder van inzet van preventieve middelen tot aan afschot i.r.t. het beheer op het luchthaventerrein;
b. een beschrijving van de taken en verantwoordelijkheden van het personeel op de luchthaventerrein verantwoordelijk voor en belast met vogelaanvaringspreventie;
c. kwantitatieve gegevens van de diersoorten ten aanzien waarvan sprake is van beheer op het luchthaventerrein door de vogelwacht van de luchthaven;
d. een onderbouwing van de noodzaak van het beheer in het kader van veiligheid van het luchtverkeer;
e. per diersoort een beschrijving van de aard, omvang en noodzaak van de handelingen die zullen worden verricht om de veiligheid van het luchtverkeer op het luchthaventerrein te kunnen garanderen;
Toelichting: Gedeputeerde Staten verlenen alleen rechtstreeks, in geval van openbare veiligheid en veiligheid van luchtverkeer, een ontheffing op basis van dit plan aan de luchthavenbeheerders van Groningen Airport Eelde of van vliegveld Hoogeveen. Deze bevoegdheid ontlenen wij aan artikel 3.17, lid 5 van de Wet natuurbescherming. In het Flora- en Faunabeleidsplan hebben Provinciale Staten uitdrukkelijk opdracht gegeven aan Gedeputeerde Staten om op dit punt beleidsregels op te stellen. De provincie geeft, vanwege het belang van de bescherming van het luchtverkeer en vogelaanvaringspreventie, op voorhand een aantal aanvullende punten mee voor dit plan. De regeling voor een vliegveiligheidsplan is afgeleid van de normen van het Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart (EASA)."
Noodzaak ontheffing
22. De stichtingen betogen verder dat het college de noodzaak van het doodschieten van de in de ontheffing genoemde soorten niet heeft aangetoond. In zijn algemeenheid voeren de stichtingen aan dat het college geen concrete verifieerbare gegevens heeft overgelegd waaruit blijkt dat de getroffen preventieve maatregelen niet voldoende zijn geweest, waarom de maatregelen niet tot de gewenste resultaten hebben geleid en in welke gevallen en waarom dit tot afschot heeft geleid. De stichtingen bestrijden dat bird strikes per definitie de vliegveiligheid verminderen. De stichtingen betogen dat GAE een norm hanteert van 2 bird hits per 10.000 vliegbewegingen, terwijl de internationale norm 4 bird hits per 10.000 vliegbewegingen is. Deze afwijkende norm wordt niet gemotiveerd. De tabel op pagina 4 van het besluit laat bovendien niet zien welke vogelsoorten betrokken waren bij de bird hits. De stichtingen vinden het onvoldoende specifiek om diersoorten op grond van hun gewicht of omdat zij vaak in groepen of groepjes vliegen, op de lijst te zetten. Er moet nauwkeurig en treffend gemotiveerd worden waarom inbreuk kan worden gemaakt op de bescherming die zij op grond van de Vogelrichtlijn krijgen. Voorts maken de stichtingen uit het besluit op dat het doden van dieren kennelijk regelmatig gebeurt alleen omdat ze aanwezig zijn op het terrein van GAE en niet uit noodzaak omdat ze een acuut risico vormen voor het vliegverkeer. Ook ontbreekt de noodzaak voor de soorten op de rode lijst die zijn opgenomen in de ontheffing, omdat er in de afgelopen 12 jaar geen afschot heeft plaatsgevonden van die soorten. Volgens de stichtingen stelt het college ten onrechte dat er in het uiterste geval pas gebruik wordt gemaakt van het middel afschot. Dat in 2019 85 dieren zijn afgeschoten kan onmogelijk als terughoudend gebruik worden beschouwd.
22.1. Het college heeft gemotiveerd dat door verjaging en vangen van vogels en zoogdieren niet alle incidenten tussen dieren en de luchtvaart kunnen worden voorkomen. Als uiterste stap in de escalatieladder moeten dieren in incidentele gevallen kunnen worden afgeschoten. Zonder deze mogelijkheid kan de veiligheid van het vliegverkeer niet worden gegarandeerd. Volgens het college is verder toereikend onderbouwd dat de handelingen niet leiden tot een verslechtering van de staat van instandhouding van de diersoorten. Ook het eventueel doden van één of enkele van de exemplaren die al een ongunstige staat van instandhouding kennen, levert geen inbreuk op voor de staat van instandhouding van deze soort. De ontheffing geldt immers alleen voor het luchthaventerrein van GAE van circa 220 hectare. Dit bestrijkt nog geen 0,1% van de gehele provincie Drenthe.
22.2. De Afdeling stelt vast dat de diersoorten genoemd in bijlage 2 van de ontheffing grotendeels bestaan uit vogelsoorten. Daarnaast worden enkele landzoogdieren genoemd die niet worden beschermd op grond van de Habitatrichtlijn, zoals de ree, nerts en haas.
22.3. Gelet op artikel 3.3, vierde lid, van de Wnb mag een ontheffing voor vogels uitsluitend worden verleend, indien er geen andere bevredigende oplossing bestaat, zij nodig is in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer (sub b, onder 2º), en de maatregelen niet leiden tot verslechtering van de staat van instandhouding van de desbetreffende soort.
Gelet op artikel 3.8, vijfde lid, gelezen in samenhang met artikel 3.10 van de Wnb, geldt voor de andere in de ontheffing genoemde dieren een vergelijkbaar kader. Een ontheffing mag worden verleend, indien er geen andere bevredigende oplossing bestaat, de noodzaak verband houdt met handelingen in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vliegvelden (3.10, tweede lid, sub f), en er geen afbreuk wordt gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan.
22.4. Zoals volgt uit artikel 3.3, vierde lid, sub b, onder 2º, van de Wnb en artikel 9, eerste lid, onder a, van de Vogelrichtlijn is de veiligheid van het luchtverkeer een gerechtvaardigd belang op grond waarvan een ontheffing mag worden verleend. Wanneer dat belang in het geding is, is de noodzaak gegeven. Deze noodzaak is aldus erkend door de wetgever. Ditzelfde geldt wanneer de noodzaak verband houdt met bestendig beheer van vliegvelden.
22.5. In het besluit van 12 juli 2021 is een uitgebreide escalatieladder opgenomen. Het onaantrekkelijk en onbereikbaar maken van het luchthaventerrein moet ervoor zorgen dat er geen of een zo gering aantal dieren aanwezig zijn op het luchthaventerrein. Er wordt preventief gebruik gemaakt van vangkooien of een roofvogelvlieger. Er worden door de havendienst, brandweer en vogelwacht rondes gereden om vogels en andere dieren in een zo vroeg mogelijk stadium te ontdekken. De vogelwacht rijdt met een auto naar de plaats waar de dieren zich begeven. Veelal is de komst van de auto al reden voor de dieren om zich te verplaatsen. Indien nodig worden dieren met verschillende methoden verjaagd, waaronder digitale angstkreten, laser, knal- en gilpatronen. Als alle in de escalatieladder genoemde middelen niet helpen en er een acuut gevaar ontstaat met betrekking tot de vliegveiligheid, wordt als laatste redmiddel ondersteunend afschot gebruikt om het directe gevaar af te wenden.
22.6. Naar het oordeel van de Afdeling bevestigt de uitgebreide escalatieladder dat pas tot afschot wordt overgegaan wanneer er geen andere bevredigende oplossing meer voorhanden is. De ontheffing heeft een gering effect op het voortbestaan van de dieren, omdat het gaat om incidenten. Het is niet gebleken dat het incidentele afschot de staat van instandhouding van de diersoorten negatief beïnvloedt. Dat de escalatieladder, volgens de stichtingen, ook op een andere manier zou kunnen worden vormgegeven, ligt hier niet ter beoordeling voor.
22.7. Het betoog slaagt niet.
Diersoorten
23. Verder betogen de stichtingen dat het college ten onrechte "uit voorzorg" voor een aantal diersoorten ontheffing heeft verleend. Daartoe betogen de stichtingen dat er dan geen concrete dreiging is op basis van de informatie uit het verleden. Er is in het geheel niet per soort beoordeeld of daarmee ooit een aanvaring heeft plaatsgevonden. De gestelde dreiging is in het geheel niet onderbouwd of aannemelijk gemaakt. Als het werkelijk zo zou zijn dat er een nieuwe soort op de luchthaven wordt aangetroffen, die dan ook nog eens een direct gevaar voor de luchtveiligheid zou kunnen veroorzaken, zullen eerst de alternatieve maatregelen op een adequate manier moeten worden ingezet. In het uiterste geval kan de start of landing tijdelijk worden uitgesteld. Er is volgens de stichtingen geen enkele noodzaak om op voorhand ontheffing te verlenen voor een hoogst onwaarschijnlijke situatie.
23.1. Volgens het college geldt voor alle in de ontheffing opgenomen diersoorten dat uit de verspreidingsgegevens blijkt dat deze de komende jaren reëel gezien op het luchthaventerrein kunnen voorkomen. Verder wijst het college erop dat primair wordt ingezet op een goed beheer of habitatmanagement, zodat het terrein onaantrekkelijk is voor vogels en dieren.
23.2. De criteria waardoor de soorten op de lijst van de ontheffing zijn gekomen die, indien verjaging niet lukt, uiteindelijk gedood mogen worden, zijn:
- individueel gewicht boven 1 kg;
- vormen zwermen;
- leven in familieverbanden; of
- trekken grote roofvogels aan.
Dat de kans op een aanvaring tussen de diersoorten en een vliegtuig klein is, maakt niet dat niet van een reëel veiligheidsrisico kan worden gesproken, nu de gevolgen van een aanvaring aanzienlijk kunnen zijn.
23.3. Het college wijst voorts op de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 27 mei 2011 (ECLI:NL:RBAMS:2011:BU4250), waarin wordt geaccepteerd dat een ontheffing wordt afgegeven voor soorten waarvoor een reële kans bestaat dat deze zich in de komende jaren naar de betreffende locatie zullen begeven. Volgens het college kan het niet zo zijn dat alleen vogelsoorten die reeds feitelijk een bird hit hebben veroorzaakt op GAE in aanmerking komen voor eventueel afschot. Bovendien moet er wanneer een acuut veiligheidsprobleem ontstaat, direct gereageerd kunnen worden. Dan kan niet in allerijl nog een ontheffing worden afgegeven.
23.4. Zoals de Afdeling hiervoor reeds heeft overwogen, volgt uit artikel 3.3, vierde lid, sub b, onder 2º, van de Wnb en artikel 9, eerste lid, onder a, van de Vogelrichtlijn dat de veiligheid van het luchtverkeer een gerechtvaardigd belang is op grond waarvan een ontheffing mag worden verleend. Deze noodzaak is aldus erkend door de wetgever. Wanneer dat belang in het geding is en er volgens de escalatieladder geen andere bevredigende oplossing meer voorhanden is, is de noodzaak - ongeacht welke diersoort het betreft - gegeven.
23.5. Het betoog slaagt niet.
Landelijke vrijstelling
24. Verder betogen de stichtingen dat het college ten onrechte in voorschrift 6 toestaat om de landelijk vrijgestelde soorten op basis van de landelijke vrijstelling te doden. Daartoe voeren zij aan dat de landelijke vrijstelling niet geldt ter bescherming van het luchtverkeer. Artikel 3.15, zesde lid, van de Wnb noemt dit belang niet. De daarin genoemde schadevormen zijn niet in het geding, zodat de landelijke vrijstelling niet mag worden aangewend.
24.1. De stichtingen betogen naar het oordeel van de Afdeling terecht dat de vogels niet op de landelijke vrijstelling zijn geplaatst met het oog op de vliegveiligheid. Wanneer deze dieren gedood moeten worden in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer (artikel 3.3, vierde lid, sub b, onder 2º, van de Wnb), moet dat op grond van een faunabeheerplan, een vliegveiligheidsplan als bedoeld in artikel 3.5 van de Beleidsregels of een aparte ontheffing.
24.2. Het betoog slaagt.
Kwantitatieve gegevens
25. De stichtingen betogen dat de ontheffing in strijd is met artikel 3.5, derde lid, aanhef en onder c, van de Beleidsregels, omdat de kwantitatieve gegevens van de diersoorten ontbreken. Van slechts vier diersoorten worden in het plan minimale kwantitatieve gegevens vermeld, van andere nog een aantal vage opmerkingen. Over de meeste soorten die op grond van de ontheffing kunnen worden doodgeschoten, bevat het plan zelfs geen vage opmerkingen. De als bijlage 3 bijgevoegde verspreidingsgegevens zijn te oud, hebben willekeurig betrekking op wisselende perioden en zijn te grofmazig om van voldoende betrouwbare kwantitatieve gegevens te kunnen spreken.
Verder achten de stichtingen de ontheffing in strijd met artikel 3.5, derde lid, aanhef en onder e, van de beleidsregels. Voor verschillende diersoorten wordt niet voldaan aan het vereiste dat het plan per diersoort een beschrijving bevat van de aard, omvang en noodzaak van de handelingen die zullen worden verricht om de veiligheid van het luchtverkeer op het luchthaventerrein te kunnen garanderen.
25.1. Volgens artikel 3.5, derde lid, onder c, van de Beleidsregels bevat een veiligheidsplan per diersoort een beschrijving van de aard, omvang en noodzaak van de handelingen die zullen worden verricht om de veiligheid van het luchtverkeer op het luchthaventerrein te kunnen garanderen.
25.2. De Afdeling stelt vast dat deze grond ook tegen het besluit van 14 juli 2020 is aangevoerd. Daarover heeft de Afdeling in 14.1 reeds geoordeeld dat het Wildlife Hazard Management Plan & Faunabeheerplan Groningen Airport Eelde 2018 t/m 31 december 2022 voor enkele diersoorten niet voldoet aan de in artikel 3.5 van de Beleidsregels genoemde vereisten. Hoewel voor het merendeel van de diersoorten in het plan een uitgebreide motivering is gegeven, zijn de ontbrekende gegevens bij het besluit van 12 juli 2021 niet aangevuld.
25.3. Het betoog slaagt.
Lang gras-beheer
26. Volgens de stichtingen betoogt het college tot slot ten onrechte dat lang gras geen bevredigende oplossing biedt. In het Handboek vogelaanvaringspreventie staat duidelijk beschreven hoe het lang gras-beheer moet worden uitgevoerd. Het kort afmaaien door GAE trekt juist vogels aan. Verder zijn de stichtingen het niet eens met de plaats die vangkooien innemen in de bestrijding van de beweerdelijke overlast op GAE. Ook het gebruik van een vangkooi is volgens de stichtingen pas mogelijk wanneer er geen andere bevredigende oplossingen zijn. De vangkooi mag daarom niet als eerste stap op de escalatieladder staan. De vangkooien hebben bovendien een aantrekkende werking voor vogels. Ook de roofvogelvlieger wordt in het handboek niet aanbevolen. De stichtingen concluderen dan ook dat de escalatieladder een werkwijze voorschrijft die in strijd is met de wet en met het handboek. Dit benadrukt ook de noodzaak om een faunabeheerplan op te stellen.
26.1. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college voldoende gemotiveerd waarom lang gras geen bevredigende oplossing biedt. Ter zitting heeft GAE bevestigd dat deze methode geprobeerd is, maar leidde tot onstabiele grond. Hierdoor kwam de toegankelijkheid van het landingsterrein bij een calamiteit in het geding.
Voorts ligt, zoals hiervoor reeds is overwogen, de plaats van de vangkooi op de escalatieladder niet ter beoordeling voor. Het gaat erom dat er preventie- en verjagingsmiddelen worden ingezet voordat wordt toegekomen aan het doden van dieren. Naast de roofvogelvliegers worden er nog andere verjagingsmiddelen ingezet die volgens het Handboek vogelaanvaringspreventie geschikte middelen zijn en andere bevredigende oplossingen vormen.
26.2. Het betoog slaagt niet.
Conclusie beroep tegen het besluit van 12 juli 2021
27. Het beroep is gegrond. Het besluit van 12 juli 2021 moet worden vernietigd. De bij dat besluit gehandhaafde ontheffing is inmiddels geëxpireerd. Daarom hoeft het college geen nieuw besluit te nemen.
28. Het college moet de hiermee verband houdende proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. verklaart het incidenteel hoger beroep van Stichting Fauna4life en Stichting Animal Rights ongegrond;
III. bevestigt de aangevallen uitspraak;
IV. verklaart het beroep van rechtswege van Stichting Fauna4life en Stichting Animal Rights tegen het besluit van het college van gedeputeerde staten van Drenthe van 12 juli 2021 gegrond;
V. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Drenthe van 12 juli 2021, kenmerk 201903407-00949624;
VI. bepaalt dat het college van gedeputeerde staten van Drenthe geen nieuw besluit hoeft te nemen;
VII. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Drenthe tot vergoeding van bij Stichting Fauna4life en Stichting Animal Rights in verband met het beroep van rechtswege opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.360,50 geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij de betaling van genoemd bedrag aan één van hen, het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzitter, en mr. J. Schipper-Spanninga en mr. M. den Heyer, leden, in tegenwoordigheid van mr. C.A.M. van Deventer-Lustberg, griffier.
w.g. Sevenster
voorzitter
w.g. Van Deventer-Lustberg
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 3 december 2025
1105
BIJLAGE
Wet natuurbescherming
Artikel 3.3
1. Gedeputeerde staten kunnen ontheffing verlenen van verboden als bedoeld in artikel 3.1 of 3.2, zesde lid, ten aanzien van vogels van daarbij aangewezen soorten, dan wel ten aanzien van hun nesten, rustplaatsen of eieren.
4. Een ontheffing of een vrijstelling wordt uitsluitend verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden:
a. er bestaat geen andere bevredigende oplossing;
b. zij is nodig:
[…]
2º. In het belang van de veiligheid van het luchtverkeer;
[…]
c. de maatregelen leiden niet tot verslechtering van de staat van instandhouding van de desbetreffende soort.
Artikel 3.8
1. Gedeputeerde staten kunnen ontheffing verlenen van een of meer van de verboden, bedoeld in de artikelen 3.5 en 3.6, tweede lid, ten aanzien van dieren of planten van daarbij aangewezen soorten, dan wel ten aanzien van de voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren van dieren van daarbij aangewezen soorten.
5. Een ontheffing of een vrijstelling wordt uitsluitend verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden:
a. er bestaat geen andere bevredigende oplossing;
b. zij is nodig:
[…]
3º. in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten;
[…]
c. er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan.
Artikel 3.10
2. Artikel 3.8, met uitzondering van het derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing op de verboden, bedoeld in het eerste lid, met dien verstande dat, in aanvulling op de redenen, genoemd in het vijfde lid, onderdeel b, de noodzaak voor de ontheffing of vrijstelling ook verband kan houden met handelingen:
a. in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden of van kleinschalige bouwactiviteiten, met inbegrip van het daarop volgende gebruik van het gebied of het gebouwde;
[…]
f. in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer;
g. in het kader van bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied;
h. in het algemeen belang, of
i. bestendig gebruik.
Artikel 3.12
1. Er zijn faunabeheereenheden die voor hun werkgebied een faunabeheerplan vaststellen. Het duurzaam beheer van populaties van in het wild levende dieren, de bestrijding van schadeveroorzakende dieren door grondgebruikers en de uitoefening van de jacht geschieden overeenkomstig het faunabeheerplan.
2. Faunabeheereenheden stellen een of meer faunabeheerplannen vast voor hun werkgebied. Ten aanzien van door Onze Minister vanwege de omvang van hun leefgebieden aangewezen diersoorten stellen de faunabeheereenheden, in wier werkgebied het leefgebied is gelegen, gezamenlijk een faunabeheerplan vast.
9. Provinciale staten stellen bij verordening regels waaraan in hun provincie werkzame faunabeheereenheden en de door de faunabeheereenheid vastgestelde faunabeheerplannen voldoen. Deze regels kunnen in elk geval betrekking hebben op:
a. de omvang en begrenzing van het werkgebied van de faunabeheereenheid;
b. de aard, omvang en noodzaak van de op grond van het faunabeheerplan te verrichten handelingen waarvoor een ontheffing als bedoeld in artikel 3.17 wordt verleend of waartoe opdracht wordt verleend op grond van artikel 3.18;
c. de wijze waarop en de perioden waarin de handelingen, bedoeld in onderdeel b worden verricht, en
d. de vertegenwoordiging van maatschappelijke organisaties als bedoeld in het tweede lid in het bestuur van de faunabeheereenheid.
Artikel 3.17
1. Ten behoeve van de beperking van de omvang van een populatie van vogels als bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, of van dieren van soorten als bedoeld in artikel 3.5, eerste lid, of 3.10, eerste lid, verlenen gedeputeerde staten ontheffing als bedoeld artikel 3.3, eerste, vierde en vijfde lid, 3.4, tweede lid, 3.8, eerste en vijfde lid, 3.9, tweede lid, of 3.10, tweede lid, in samenhang met artikel 3.8, tweede lid, indien deze beperking nodig is
[…].
2. Een ontheffing als bedoeld in het eerste lid wordt verleend aan een faunabeheereenheid, die handelt overeenkomstig het daartoe vastgestelde en goedgekeurde faunabeheerplan.
4. In afwijking van het tweede lid kan een ontheffing ook aan een wildbeheereenheid of aan anderen dan een faunabeheereenheid worden verleend, indien de noodzaak ontbreekt voor verrichting van de handelingen door tussenkomst van een faunabeheereenheid.
5. In afwijking van artikel 3.12, eerste lid, en het tweede lid kan een ontheffing worden verleend voor handelingen die niet op grond van een faunabeheerplan worden verricht, indien de noodzaak ontbreekt voor een faunabeheerplan, gelet op de specifieke kenmerken van de desbetreffende diersoort dan wel de aard of omvang van te verrichten handelingen.