ECLI:NL:RVS:2025:5866

Raad van State

Datum uitspraak
3 december 2025
Publicatiedatum
3 december 2025
Zaaknummer
202504361/1/A2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toelating tot de bacheloropleiding Geneeskunde aan de Radboud Universiteit en de rechtsgeldigheid van de selectieprocedure

In deze zaak gaat het om de toelating van [appellante] tot de bacheloropleiding Geneeskunde aan de Radboud Universiteit, die een numerus fixus kent. [appellante] kreeg aanvankelijk het rangnummer 1.273 toegekend, maar na bezwaar en een nieuwe loting werd haar rangnummer gewijzigd naar 604. [appellante] betwist de rechtmatigheid van deze procedure en stelt dat het college van bestuur van de Radboud Universiteit het advies van de geschillenadviescommissie niet had mogen volgen, omdat dit advies niet deugdelijk was onderbouwd. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft de zaak behandeld op 9 september 2025, waarbij [appellante] werd vertegenwoordigd door haar advocaat. De Afdeling oordeelt dat het college de selectieprocedure correct heeft uitgevoerd en dat de tweede loting rechtmatig was. De Afdeling concludeert dat er geen sprake is van onbillijkheid van overwegende aard en verklaart het beroep van [appellante] ongegrond. De uitspraak is gedaan op 3 december 2025.

Uitspraak

202504361/1/A2.
Datum uitspraak: 3 december 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellante], wonend in [woonplaats],
appellante,
en
het college van bestuur van de Radboud Universiteit (hierna: het college),
verweerder.
Procesverloop
Bij beslissing van 15 april 2025 heeft de manager Radboudumc Health Academy, namens de selectiecommissie bacheloropleidingen Radboudumc (hierna: de selectiecommissie), aan [appellante] het rangnummer 1.273 toegekend.
Tegen deze beslissing heeft [appellante] bezwaar gemaakt.
Bij beslissing van 19 mei 2025 heeft de manager Radboudumc Health Academy, namens de selectiecommissie, aan [appellante] het rangnummer 604 toegekend.
Bij beslissing van 8 juli 2025 heeft het college het door [appellante] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft [appellante] beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 9 september 2025, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. R. Verspaandonk, advocaat in Den Haag, en het college, vertegenwoordigd door mr. F.A. van Zomeren en M. Melskens namens de selectiecommissie, via een video-verbinding zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1.       [appellante] heeft zich ingeschreven voor de bacheloropleiding Geneeskunde aan de Radboud Universiteit. Dit is een opleiding met een numerus fixus. Dit betekent dat er een maximum is gesteld aan het aantal studenten dat kan worden toegelaten tot de opleiding. Daarom wordt er voor toelating geloot in drie groepen, waarbij de kans op toelating in groep 1 groter is dan in de groepen 2 en 3. Voor het studiejaar 2025-2026 waren 322 opleidingsplaatsen beschikbaar.
2.       Bij beslissing van 15 april 2025 heeft de selectiecommissie aan [appellante] het rangnummer 1.273 toegekend. Dit rangnummer geeft geen recht op plaatsing. Bij brief van diezelfde datum heeft de selectiecommissie [appellante] medegedeeld dat zij bij de loting is ingedeeld in groep 2, omdat zij niet aan alle onderdelen van de selectieprocedure had voldaan. Tegen deze beslissing heeft [appellante] bezwaar gemaakt en aangevoerd dat zij ten onrechte in groep 2 heeft geloot omdat zij wel alle drie de onderdelen van de selectieprocedure had afgerond. Zij had daarom in groep 1 moeten worden ingedeeld.
3.       Onderzoek van de selectiecommissie heeft uitgewezen dat er in totaal 71 studenten waren, onder wie [appellante], die ten onrechte in groep 2 in plaats van groep 1 waren ingedeeld. Op 14 mei 2025 heeft de selectiecommissie daarom een nieuwe loting, waaraan ook [appellante] heeft deelgenomen, laten uitvoeren door de notaris. Deze loting heeft geen gevolgen gehad voor de kandidaten aan wie al een opleidingsplek was toegekend. Op basis van deze loting heeft [appellante] het rangnummer 604 toegekend gekregen. Dit rangnummer geeft haar nog steeds geen recht op plaatsing of op een plaats op de wachtlijst. Bij e-mail van 28 mei 2025 heeft [appellante] haar bezwaar tegen het aan haar toegekende rangnummer gehandhaafd.
4.       Bij beslissing van 8 juli 2025 heeft het college, in navolging van het advies van de geschillenadviescommissie, het bezwaar van [appellante] ongegrond verklaard. Het college heeft in deze beslissing opgenomen dat [appellante] de mogelijkheid heeft om in het studiejaar 2026-2027 opnieuw deel te nemen aan de selectieprocedure. De selectiepoging voor het studiejaar 2025-2026 wordt dan niet meegeteld.
Het beroep van [appellante]
5.       [appellante] stelt zich op het standpunt dat het college het advies van de geschillenadviescommissie niet ten grondslag had mogen leggen aan de beslissing op bezwaar omdat dit advies geen deugdelijke onderbouwing en motivering kent. De selectieprocedure bevat dusdanige gebreken dat er geen sprake is van een zorgvuldig tot stand gekomen en deugdelijk gemotiveerd besluit. Het college heeft miskend dat de wijze waarop het gebrek in de loting is hersteld, niet toereikend is. Het nadeel dat [appellante] heeft ondervonden is hiermee namelijk niet weggenomen, omdat haar kansen om ingeloot te worden bij de tweede loting aanzienlijk kleiner waren dan wanneer zij gelijk in de juiste groep was ingedeeld. Deze herstelprocedure is volgens [appellante] daarnaast in strijd met artikel 7.53, derde lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (hierna: de WHW). Dit artikel biedt volgens [appellante] niet de mogelijkheid om een tweede selectieprocedure naast de verkeerd uitgevoerde initiële selectieprocedure uit te voeren. Ten slotte heeft volgens [appellante] het college ten onrechte geen toepassing gegeven aan de hardheidsclausule.
Beoordeling van het beroep
6.       Artikel 7.53 van de WHW ziet op de bevoegdheid van een instelling om inschrijvingen voor een opleiding te beperken op grond van de beschikbare onderwijscapaciteit. In het derde lid van deze bepaling staat: "Het instellingsbestuur maakt tijdig de selectieprocedure en, indien van toepassing, de kwalitatieve selectiecriteria of de wijze van loting bekend op grond waarvan de toelating zal plaatsvinden indien het aantal aspirant-studenten het maximum aantal, bedoeld in het eerste lid, zou overschrijden. Het instellingsbestuur stelt daartoe een reglement vast. Bij het vaststellen van het reglement houdt het instellingsbestuur rekening met de belangen van aspirant-studenten afkomstig uit de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba onderscheidenlijk Aruba, Curaçao en Sint Maarten."
6.1.    Het college heeft de Regeling selectie en plaatsing bacheloropleidingen met een numerus fixus voor het studiejaar 2025-2026 vastgesteld (hierna: de Regeling). In hoofdstuk 6 van de Regeling zijn aanvullende regels opgenomen die betrekking hebben op de selectie voor de bacheloropleiding geneeskunde.
6.2.    De Afdeling volgt [appellante] niet in haar betoog dat het college in strijd heeft gehandeld met artikel 7.53, derde lid, van de WHW. In deze bepaling staat dat het college een selectieprocedure bekend moet maken. Dit heeft het college gedaan in de Regeling. Deze regeling geeft geen specifieke bepalingen voor de situatie dat een loting door onjuiste indeling in groepen onjuist verloopt. In de Regeling heeft het college onder artikel 9.1 wel een vangnetbepaling opgenomen, voor gevallen waarin de regeling niet voorziet als gevolg van onvoorziene omstandigheden. Die bepaling heeft het college in dit geval terecht toegepast. Anders dan [appellante] betoogt is van strijd met artikel 7.53, derde lid, van de WHW dus geen sprake.
6.3.    Op de zitting heeft [appellante] nog gewezen op artikel 7.53, zevende lid, aanhef en onder c, van de WHW. Op grond van deze bepaling kunnen bij ministeriële regeling in ieder geval voorschriften worden vastgesteld met betrekking tot de loting. Volgens [appellante] staat de ministeriële regeling niet toe dat in dit geval een tweede loting wordt uitgevoerd. De Afdeling volgt dit standpunt van [appellante] niet. De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft op grond van artikel 7.53, zevende lid, van de WHW de Regeling aanmelding en toelating hoger onderwijs vastgesteld. De in artikel 4.7a van deze regeling opgenomen voorwaarden voor loting, zoals het tijdig bekendmaken van de lotingcriteria, staan niet aan de handelswijze van de selectiecommissie in de weg. Ook in zoverre is van strijd met de wet geen sprake.
6.4.    Ook volgt de Afdeling [appellante] niet in haar betoog dat zij hiermee in een nadeliger situatie terecht is gekomen dan wanneer zij wel direct in de juiste groep was ingedeeld. Hierbij neemt de Afdeling als uitgangspunt dat het een ongewogen loting betreft. Dit betekent dat iedere kandidaat binnen dezelfde groep evenveel kans heeft om ingeloot te worden. Bij de eerste loting waren in groep 1 1.230 kandidaten ingedeeld. Omdat er 322 opleidingsplaatsen beschikbaar waren, had iedere kandidaat 26,18% kans om ingeloot te worden. De tweede loting heeft onder dezelfde omstandigheden plaatsgevonden en hierbij zijn dezelfde uitgangspunten gehanteerd, waaronder dat groep 1 bestaat uit 1.230 kandidaten. [appellante] had daarmee dus evenveel kans als de kandidaten uit groep 1 bij de eerste loting. Het college heeft bovendien terecht opgemerkt dat deze omstandigheden voor [appellante] gunstiger waren dan wanneer het college een volledig nieuwe loting zou uitvoeren met alle oorspronkelijke kandidaten. Dan zouden immers ook de 71 kandidaten die eerst ten onrechte niet waren meegenomen deel uitmaken van groep 1, waardoor die groep zou bestaan uit 1.301 kandidaten. In die situatie zou iedere kandidaat 24,75% kans hebben om ingeloot te worden.
6.5.    Voor zover [appellante] betoogt dat de omstandigheden tijdens beide lotingen niet gelijk zijn omdat bij de tweede loting gebruik is gemaakt van ‘dummykandidaten’, merkt de Afdeling op dat dit geen verschil maakt omdat het een ongewogen loting betreft en de hoedanigheid van de kandidaten dus geen rol speelt. Ditzelfde geldt voor het betoog van [appellante] dat uit haar rangnummer uit de eerste loting volgt dat zij een laag rangnummer zou hebben gehad als zij in de juiste groep was ingedeeld. Bij een ongewogen loting maakt iedere student binnen dezelfde groep bij elke afzonderlijke loting weer evenveel kans op het eerste rangnummer als op het laatste.
6.6.    [appellante] heeft aangevoerd dat de enige juiste handelswijze was geweest wanneer de selectiecommissie direct nadat het gebrek in de loting bekend werd, de loting van alle kandidaten opnieuw had uitgevoerd. Zoals het college terecht opmerkt zou deze handelwijze onvoldoende rekening houden met de belangen van alle betrokken kandidaten. De kandidaten die op 15 april 2025 namelijk al een rangnummer toegekend hebben gekregen dat aanspraak gaf op plaatsing voor de opleiding, mogen er in beginsel op vertrouwen dat deze aanspraak niet komt te vervallen. Die dag zijn ook al aangeboden plaatsen door kandidaten geaccepteerd. Bij een geheel nieuwe loting waren ook hun rangnummers vervallen. Met de oplossing van de selectiecommissie behouden de geplaatste kandidaten hun toegekende rangnummer met bijbehorende opleidingsplaats én hebben de kandidaten die in eerste instantie onjuist zijn ingedeeld alsnog een eerlijke kans gekregen op toelating. Voor zover op deze wijze in totaal meer kandidaten zijn toegelaten dan er opleidingsplaatsen waren, heeft het college de kosten daarvan voor eigen rekening genomen. Het college mocht dus een tweede loting uitvoeren als zij heeft gedaan.
6.7.    De Afdeling ziet in wat [appellante] heeft aangevoerd ten slotte geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het college toepassing had moeten geven aan de hardheidsclausule uit artikel 2.14 van de Regeling. Met de tweede loting heeft het college de fout bij de eerste loting hersteld. Dat [appellante] in de tweede loting een rangnummer toegekend heeft gekregen waarmee zij niet in aanmerking komt voor een opleidingsplek is voor haar te betreuren, maar maakt niet dat er sprake is van onbillijkheid van overwegende aard.
Conclusie
7.       Het beroep is ongegrond.
8.       Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. J.J.W.P. van Gastel en mr. M. den Heyer, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.S. Rietveld, griffier.
w.g. Scholten-Hinloopen
voorzitter
w.g. Rietveld
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 3 december 2025
1064