ECLI:NL:RVS:2025:5890
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing schadevergoeding wegens onrechtmatige verwerking persoonsgegevens in Fraude Signalering Voorziening
De zaak betreft een hoger beroep van appellant tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam, waarin het beroep op schadevergoeding wegens onrechtmatige verwerking van persoonsgegevens in de Fraude Signalering Voorziening (FSV) werd afgewezen. Appellant had een verzoek om inzage in zijn persoonsgegevens in de FSV ingediend, dat door de minister werd toegewezen. Vervolgens vorderde appellant schadevergoeding wegens aantasting van zijn eer en goede naam.
De rechtbank oordeelde dat de verwerking van persoonsgegevens plaatsvond vóór de inwerkingtreding van de Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten (Wns) en dat artikel 8:73 Awb Pro (oud) van toepassing was. Omdat appellant geen gronden tegen het inzagebesluit had aangevoerd, was er geen reden voor toekenning van schadevergoeding. De rechtbank wees het beroep af.
In hoger beroep betoogde appellant dat de rechtbank het verzoek om schadevergoeding op grond van de AVG en artikel 8:88 Awb Pro had moeten behandelen, maar de Afdeling oordeelde dat deze regels niet van toepassing zijn op besluiten van de Belastingdienst in het kader van haar taken. Ook het argument dat de rechtbank ten onrechte geen volledige heroverweging had gemaakt, werd verworpen. De Afdeling zag geen aanleiding voor prejudiciële vragen over artikel 82 AVG Pro.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd, waarbij geen schadevergoeding wordt toegekend.