BRS.25.001281
Datum uitspraak: 8 december 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant 1], [appellant 2] en [appellant 3],
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 21 augustus 2025 in zaken nrs. NL23.21222, NL23.21224 en NL23.21225 in het geding tussen:
[appellant 1], [appellant 2] en [appellant 3]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluiten van 18 juli 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aanvragen van appellanten om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 21 augustus 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellanten ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben appellanten, vertegenwoordigd door mr. G.J. Dijkman, advocaat in Utrecht, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
Hoger beroep
1. Wat appellanten aanvoeren in hun eerste tot en met vierde grief, leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat de grieven geen vragen bevatten die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
2. Appellanten klagen in hun vijfde grief terecht dat de rechtbank niet is ingegaan op hun verzoek om schadevergoeding in verband met de overschrijding van de redelijke termijn. Appellanten hebben immers ter zitting aangevoerd dat zij wegens de lange duur van de procedure in de beroepsfase een beroep doen op de overschrijding van de redelijke termijn.
2.1. De grief slaagt.
Conclusie hoger beroep
3. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover daarin niet is beslist op het verzoek om schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank voor het overige.
Overschrijding redelijke termijn in beroep
4. De Afdeling beoordeelt nu of de rechtbank een vergoeding had moeten toekennen wegens overschrijding van de redelijke termijn.
4.1. De vraag of de redelijke termijn is overschreden, wordt beantwoord aan de hand van de omstandigheden van het geval. Als uitgangspunt geldt dat in zaken die uit twee rechterlijke instanties bestaan een totale lengte van de procedure van vier jaar redelijk is. Daarbij mag de behandeling van het beroep twee jaar en de behandeling van het hoger beroep ook twee jaar duren. In asielzaken, waarin een voornemenprocedure wordt gevolgd en geen bezwaarschriftprocedure, vangt de redelijke termijn aan bij het indienen van het beroepschrift. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 5 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2276, onder 2 en 3. 4.2. Het schadebedrag bestaat uit € 500,00 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond.
4.3. In dit geval kan een overschrijding van de redelijke termijn ten tijde van de uitspraak van de rechtbank niet worden gecompenseerd door een voortvarende behandeling van het hoger beroep door de Afdeling, omdat appellanten in beroep al hebben verzocht om schadevergoeding in verband met de overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank moet binnen een redelijke termijn over het beroep oordelen, onafhankelijk van de behandelingsduur van een eventueel ingesteld hoger beroep. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 13 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4610, onder 8. 4.4. De Afdeling constateert dat appellanten op 24 juli 2023 beroep hebben ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft op 21 augustus 2025 uitspraak gedaan. De termijn tussen het ontvangen van het beroepschrift en het doen van de uitspraak bedraagt twee jaar en achtentwintig dagen. De redelijke termijn van twee jaar is dus met achtentwintig dagen overschreden. Appellanten maken daarom aanspraak op een schadebedrag voor de naar boven afgeronde periode van een half jaar. Die overschrijding is geheel toe te rekenen aan de rechtbank.
4.5. Het enkele feit dat gezinsleden, ongeacht het aantal of de leeftijd van de kinderen, gezamenlijk rechtsmiddelen aanwenden tegen de afwijzing van de asielaanvragen waarin soortgelijke rechtsvragen voorliggen, vormt onvoldoende grond om niet op individuele basis een forfaitaire vergoeding toe te kennen voor overschrijding van de redelijke termijn. Zie de uitspraak van 3 november 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO2684, onder 2.4. Het verzoek van appellanten om een schadevergoeding op grond van overschrijding van de redelijke termijn wordt daarom toegewezen tot een bedrag van € 500,00 per persoon. Conclusie schadevergoeding overschrijding redelijke termijn
5. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de Afdeling het verzoek om schadevergoeding op grond van overschrijding van de redelijke termijn zal toewijzen.
Proceskosten
6. Omdat de overschrijding van de redelijke termijn geheel aan de rechtbank is toe te rekenen, moet de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) de proceskosten vergoeden voor de behandeling van het verzoek om schadevergoeding in eerste aanleg. Deze kosten bestaan uit het indienen van het verzoek. De Afdeling zal hierbij de wegingsfactor 0,5 (licht) toepassen. De Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) moet ook de proceskosten van het hoger beroep vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 21 augustus 2025 in zaken nrs. NL23.21222, NL23.21224 en NL23.21225, voor zover daarin niet is beslist op het verzoek om schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn;
III. bevestigt de uitspraak van de rechtbank voor het overige;
IV. veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) om aan appellanten een schadevergoeding van € 1.500,00 te betalen;
V. veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van bij appellanten in verband met de behandeling van het hoger beroep en het verzoek om schadevergoeding opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.360,50, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. C.M. Wissels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van N. Capel LLM, griffier.
w.g. Wissels
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Capel
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 8 december 2025
1024