ECLI:NL:RVS:2025:5923

Raad van State

Datum uitspraak
5 december 2025
Publicatiedatum
8 december 2025
Zaaknummer
202402972/2/A3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • N.H. van den Biggelaar
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:29 AwbAlgemene verordening gegevensbescherming
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beperking inzage persoonsgegevens minderjarig kind in hoger beroep bestuursrecht

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Overijssel inzake een inzageverzoek op grond van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) betreffende een minderjarig kind.

De minister van Financiën stelde dat appellant niet de wettelijke vertegenwoordiger is van het minderjarige kind en daarom geen recht heeft op inzage in diens persoonsgegevens. De minister overhandigde een vertrouwelijk stuk dat alleen door de Afdeling mocht worden ingezien, met verwijzing naar artikel 8:29 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

De Afdeling heeft een belangenafweging gemaakt waarbij het zwaardere gewicht werd toegekend aan de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van het minderjarige kind. Tevens concludeerde de Afdeling dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat zijn procespositie zou worden geschaad door het ontbreken van inzage.

Op grond hiervan besloot de Afdeling het verzoek tot beperkte kennisneming toe te wijzen en de inzage door appellant te weigeren, waarmee het belang van het minderjarige kind prevaleert boven het belang van appellant.

Uitkomst: Het verzoek tot beperkte kennisneming van persoonsgegevens van het minderjarige kind wordt toegewezen, inzage door appellant wordt geweigerd.

Uitspraak

202402972/2/A3.
Datum beslissing: 5 december 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Beslissing op grond van artikel 8:29, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) in het hoger beroep van:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 2 april 2024 in zaak nr. 23/972 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Financiën.
Procesverloop
[appellant] heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 2 april 2024 in zaak nr. 23/972.
De minister heeft de vertrouwelijke versie van een gedingstuk overgelegd en met verwijzing naar artikel 8:29 van Pro de Awb medegedeeld dat uitsluitend de Afdeling kennis zal mogen nemen van dit stuk.
Het gaat om een besluit van 28 november 2022 over een inzageverzoek op grond van de Algemene verordening gegevensbescherming van een minderjarig kind.
Overwegingen
1.       De minister heeft de Afdeling wegens het bestaan van gewichtige redenen verzocht te bepalen dat alleen de Afdeling van het stuk kennis zal nemen. Volgens de minister is [appellant] niet de wettelijke vertegenwoordiger van het minderjarige kind. Daarom heeft hij geen recht op inzage van de persoonsgegevens van dat kind. De bescherming van de rechten en vrijheden van het minderjarige kind wegen volgens de minister zwaarder dan het belang van [appellant] om kennisname van gegevens over dat kind.
2.       Gelet op artikel 8:29, derde lid, van de Awb beslist de Afdeling of de weigering dan wel beperking van de kennisneming van een stuk gerechtvaardigd is. Deze beslissing vergt een afweging van belangen. Enerzijds speelt hierbij het belang dat partijen gelijkelijk beschikken over de voor het hoger beroep relevante informatie en het belang dat de bestuursrechter beschikt over alle informatie die nodig is om de zaak op een juiste en zorgvuldige wijze af te doen. Daartegenover staat dat de kennisneming door partijen van bepaalde gegevens het algemeen belang, het belang van één of meer partijen en/of het belang van derden onevenredig kan schaden.
3.       De geheimhoudingskamer van de Afdeling heeft kennisgenomen van de stukken. Zij stelt vast dat deze persoonsgegevens bevatten over een minderjarig kind. Dat het in dit geval gaat om een minderjarig kind, betekent dat een zwaarder gewicht moet worden toegekend aan het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Dat belang weegt naar het oordeel van de Afdeling in dit geval zwaarder dan het belang van [appellant] bij kennisname van de informatie. Bovendien heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt dat zijn procespositie in het geding komt als hij geen kennis kan nemen van de gegevens.
4.       De Afdeling acht daarom het verzoek tot beperkte kennisneming gerechtvaardigd.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek toe.
Aldus vastgesteld door mr. N.H. van den Biggelaar, lid van de enkelvoudige geheimhoudingskamer, in tegenwoordigheid van mr. S.R. Renkema, griffier.
w.g. Van den Biggelaar
lid van de enkelvoudige geheimhoudingskamer
w.g. Renkema
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 5 december 2025
1071