ECLI:NL:RVS:2025:594
Raad van State
- Hoger beroep
- M. den Heyer
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing aanvraag verblijfsvergunning asiel na verblijf in westers land
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 29 januari 2024 de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af. De vreemdeling stelde beroep in bij de rechtbank Den Haag, die dit beroep op 22 april 2024 ongegrond verklaarde. Vervolgens stelde de vreemdeling hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling verwees naar haar eerdere uitspraak van 20 november 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:4648) waarin werd geoordeeld dat vreemdelingen die in een westers land hebben verbleven niet automatisch een reëel risico op ernstige schade lopen bij terugkeer naar Afghanistan. Het betoog van de vreemdeling dat zijn verblijf in het Westen op zichzelf een risico oplevert, werd verworpen.
Verder leidde het overige aangevoerde niet tot vernietiging van het vonnis, mede omdat het hogerberoepschrift geen relevante vragen bevatte die het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling dienden. De Afdeling verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. De minister werd niet veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de verblijfsvergunning asiel wordt bevestigd.