ECLI:NL:RVS:2025:5967

Raad van State

Datum uitspraak
10 december 2025
Publicatiedatum
10 december 2025
Zaaknummer
202504363/1/A2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen beslissing examencommissie over plagiaat bij Hogeschool van Amsterdam

In deze zaak heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 10 december 2025 uitspraak gedaan in het beroep van [appellant] tegen de beslissing van het college van beroep voor de examens (CBE) van de Hogeschool van Amsterdam. De examencommissie had op 14 februari 2025 vastgesteld dat [appellant] plagiaat had gepleegd bij een opdracht voor het vak 'Koers bepalen 1', wat leidde tot de ongeldigverklaring van zijn toetsresultaat en de registratie van fraude. Het CBE verklaarde het administratief beroep van [appellant] ongegrond op 9 juli 2025. Hierop heeft [appellant] beroep ingesteld bij de Raad van State.

De Afdeling heeft de zaak behandeld op 9 september 2025, waarbij [appellant] werd bijgestaan door zijn advocaat, mr. R. Verspaandonk, en het CBE werd vertegenwoordigd door mr. O. Jungst. De Afdeling oordeelde dat niet buiten redelijke twijfel kon worden vastgesteld dat [appellant] plagiaat had gepleegd. De examencommissie had onvoldoende bewijs geleverd om de beschuldiging van plagiaat te onderbouwen, vooral gezien de onduidelijkheid over de plagiaatscan en de overlap met eerder ingeleverde opdrachten. De Afdeling vernietigde de beslissing van het CBE en de examencommissie, verklaarde het beroep van [appellant] gegrond en oordeelde dat de sancties niet konden worden opgelegd. Tevens werd het CBE veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van [appellant].

Uitspraak

202504363/1/A2.
Datum uitspraak: 10 december 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
en
het college van beroep voor de examens van de Hogeschool van Amsterdam (hierna: het CBE),
verweerder.
Procesverloop
Bij beslissing van 14 februari 2025 heeft de examencommissie Marketing, Sales & Trade van de Hogeschool van Amsterdam (hierna: de examencommissie) vastgesteld dat [appellant] plagiaat heeft gepleegd bij een toetsonderdeel van het vak ‘Koers bepalen 1’. De examencommissie heeft het toetsresultaat ongeldig verklaard en de aanduiding ‘FR’ (fraude) geregistreerd.
Bij beslissing van 9 juli 2025 heeft het CBE het daartegen door [appellant] ingestelde administratief beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze beslissing heeft [appellant] beroep ingesteld.
Het CBE heeft een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 9 september 2025, waar [appellant], bijgestaan door mr. R. Verspaandonk, advocaat in Den Haag, en het CBE, vertegenwoordigd door mr. O. Jungst, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1.       [appellant] studeert Commerciële Economie aan de Hogeschool van Amsterdam, waar hij in het studiejaar 2024-2025 het vak ‘Koers bepalen 1’ heeft gevolgd. Dit vak bestaat uit drie sprints van ieder twee weken. Tijdens iedere sprint moeten studenten een groepsopdracht maken. [appellant] heeft sprint 1 en sprint 2 samen met zijn groepje voltooid. De docent heeft in de werkhouding van [appellant] aanleiding gezien om hem uit zijn groepje te zetten en te bepalen dat hij sprint 3 zelfstandig moet maken.
Op 15 januari 2025 heeft de examinator melding gemaakt van een vermoeden van fraude in de op 12 januari 2025 door [appellant] ingeleverde opdracht voor sprint 3. Deze opdracht vertoont voor 87% overeenkomsten met andere werken, waarvan 60% met het werk van het voormalige samenwerkingsgroepje van [appellant]. Bij beslissing van 14 februari 2025 heeft de examencommissie vastgesteld dat [appellant] plagiaat heeft gepleegd en de door hem ingeleverde opdracht ongeldig verklaard en de registratie ‘FR’ opgenomen.
Beslissing van het CBE
2.       Het CBE heeft geconcludeerd dat het voor [appellant] op grond van de plagiaatscan en de toelichting tijdens het hoorgesprek op 24 januari 2025 voldoende duidelijk kon zijn wat als plagiaat werd aangemerkt. [appellant] ging er terecht vanuit dat hij uitsluitend sprint 3 alleen hoefde te doen, en niet ook sprint 2. Volgens het CBE staat vast dat [appellant] ook delen uit de groepsopdracht van sprint 3 van zijn voormalige groepje heeft overgenomen, waaronder het marketingadvies. De examencommissie mocht daarom constateren dat er sprake is van plagiaat.
3.       Tegen deze beslissing heeft [appellant] beroep ingesteld.
Beoordeling van het beroep
4.       De Afdeling ziet zich voor de vraag gesteld of de feiten en omstandigheden zoals deze voorliggen de conclusie kunnen dragen dat buiten redelijke twijfel is komen vast te staan dat [appellant] heeft gefraudeerd. Die vraag beantwoordt zij ontkennend. Uit artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden volgt dat het bestuursorgaan, in dit geval de examencommissie, moet bewijzen dat in een concreet geval een overtreding is gepleegd. In geval van twijfel moet het bestuursorgaan aan de betrokkene het voordeel van de twijfel gunnen (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 2 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2963). Gelet op wat partijen naar voren hebben gebracht, staat niet buiten twijfel vast dat [appellant] plagiaat heeft gepleegd in zijn opdracht voor sprint 3. De Afdeling zal dit oordeel hierna toelichten.
5.       Voor sprint 3 moeten de studenten een bedrijfsadvies opstellen in een slidedeck. Dit bedrijfsadvies bouwt voort op de opdrachten die de studenten hebben gemaakt voor sprint 1 en 2, waarbij zij bijvoorbeeld een concurrentieanalyse, marketingmix en confrontatiematrix hebben opgesteld. Op de zitting heeft het CBE toegelicht dat tijdens sprint 2 meldingen bij de docent zijn binnengekomen over de inzet van [appellant]. Hij zou bijeenkomsten missen en zich onvoldoende inzetten voor de groepsopdrachten, hetgeen door [appellant] wordt betwist. In de eerste week van sprint 3 heeft de docent besloten dat [appellant] sprint 3 zelfstandig moet maken. Omdat deze beslissing niet voorligt in deze procedure, geeft de Afdeling hierover geen oordeel.
6.       Het door de examencommissie geconstateerde plagiaat in de opdracht van [appellant] ziet in de kern op twee punten. Enerzijds is dit het vrijwel integraal overnemen van de onderdelen van sprint 2 en anderzijds het overnemen van delen van het bedrijfsadvies van sprint 3 van zijn voormalige samenwerkingsgroepje.
Plagiaat ten aanzien van sprint 2
7.       Op de zitting bij de Afdeling heeft het CBE zich nadrukkelijk op het standpunt gesteld dat de constatering van plagiaat ook ziet op het overnemen van de onderdelen van de opdracht die [appellant] en zijn groepje in sprint 2 hebben ingeleverd. [appellant] betoogt dat dit standpunt van het CBE haaks staat op de beslissing van 9 juli 2025, waarin uitsluitend het plagiaat in de onderdelen van sprint 3 aan de beslissing ten grondslag is gelegd. Dit standpunt is volgens [appellant] bovendien onjuist, omdat het overnemen van de onderdelen van sprint 2 volgens hem geen plagiaat is.
8.       Daargelaten of het CBE in beroep een ander standpunt heeft ingenomen dan in zijn beslissing van 9 juli 2025, kan naar het oordeel van de Afdeling het gebruik van de onderdelen van sprint 2 in de opdracht voor sprint 3 niet worden aangemerkt als plagiaat. Zij licht dit oordeel hierna toe.
8.1.    De Afdeling stelt vast dat [appellant] samen met zijn groepje de opdrachten voor sprint 1 en 2 heeft afgerond en dat hij daarvoor de beoordeling ‘voldaan’ heeft gekregen. Zoals het CBE op de zitting ook heeft onderschreven, is het uitgangspunt bij een groepsopdracht dat iedereen binnen de groep een deel van de opdracht maakt. Hieraan is inherent dat er binnen deze opdracht onderdelen aanwezig zijn die niet door alle studenten zelf zijn gemaakt. Dat [appellant] niet alle onderdelen van sprint 2 zelf heeft gemaakt of hieraan de bijdrage heeft geleverd die van hem werd verwacht, betekent niet dat zijn gebruik van de onderdelen uit sprint 2 gekwalificeerd kan worden als plagiaat. Als de examinator van mening was dat [appellant] onvoldoende had bijgedragen aan sprint 2 om gebruik te mogen maken van deze opdracht, dan had het in de reden gelegen om in het kader van sprint 2 maatregelen te treffen. Dit is niet gebeurd.
8.2.    Het betoog slaagt.
Plagiaat ten aanzien van sprint 3
9.       Het CBE heeft zich op het standpunt gesteld dat [appellant] onderdelen heeft overgenomen van de opdracht die zijn voormalige samenwerkingsgroepje voor sprint 3 heeft ingeleverd.
9.1.    Zoals de Afdeling hiervoor heeft overwogen bouwt het bedrijfsadvies dat de studenten in sprint 3 moeten inleveren voort op het werk dat zij hebben gedaan in sprint 1 en 2. In het bedrijfsadvies zal gelet daarop werk terugkomen dat de studenten al eerder hebben ingeleverd. Dit geldt ook voor [appellant]. Gelet op wat de Afdeling hiervoor onder 8.1 heeft geoordeeld, maakt [appellant] zich alleen schuldig aan plagiaat als hij werk van zijn voormalige samenwerkingsgroepje zou hebben overgenomen dat zij tijdens sprint 3 hebben gemaakt. Op de zitting heeft het CBE toegelicht dat dit gaat om de onderdelen ‘operationeel marketing advies’ en ‘conclusies’, omdat dit geen onderdelen waren van sprint 2.
9.2.    Ter ondersteuning van het standpunt heeft het CBE de plagiaatscan overgelegd. Hieruit volgt dat de opdracht van [appellant] overeenkomsten vertoont met twee bronnen: ‘Hogeschool van Amsterdam/Slidedeck advies’ en ‘Hogeschool van Amsterdam/Groen Zwart en Wit Zakelijk Geometrisch Bedrijfsplan Zakelijke Presentatie’. In de plagiaatscan is daarnaast zichtbaar dat grote tekstblokken uit sprint 3 van [appellant] overlap vertonen met deze twee bronnen.
9.3.    De Afdeling stelt vast dat uit de plagiaatscan niet blijkt op welke onderdelen de overlap ziet. Hierdoor is het niet duidelijk of de overlap slechts ziet op de onderdelen afkomstig uit sprint 1 en 2 of dat ook overlap bestaat op de onderdelen ‘operationeel marketing advies’ en ‘conclusies’ uit sprint 3. Desgevraagd heeft het CBE op de zitting hier geen duidelijkheid over kunnen verschaffen. Daarbij komt dat [appellant] op de zitting naar voren heeft gebracht dat één van de genoemde bronnen waarmee overeenkomsten bestaan een eerder door hem ingeleverde versie van sprint 3 betreft. Ook hierover heeft het CBE geen duidelijkheid kunnen verschaffen. Door deze onduidelijkheden is de Afdeling van oordeel dat het niet buiten redelijke twijfel is komen vast te staan dat [appellant] ten aanzien van sprint 3 plagiaat heeft gepleegd.
9.4.    Het betoog slaagt.
Conclusie
10.     Omdat niet buiten redelijke twijfel is vast komen te staan dat [appellant] plagiaat heeft gepleegd, kan hem geen van de onder artikel 4.7 van de Onderwijs- en Examenregeling opgesomde sancties worden opgelegd. Dit betekent dat de sanctie van registratie van fraude en de ongeldigverklaring van de toets niet in stand kunnen blijven.
11.     Het beroep van [appellant] is gegrond. De beslissing van het CBE van 9 juli 2025 moet worden vernietigd. Het administratief beroep moet gegrond worden verklaard en het besluit van de examencommissie van 14 februari 2025 moet worden vernietigd.
12.     Het CBE moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het beroep gegrond;
II.       vernietigt de beslissing van het college van beroep voor de examens van de Hogeschool van Amsterdam van 9 juli 2025;
III.      verklaart het administratief beroep gegrond;
IV.     vernietigt de beslissing van de examencommissie Marketing, Sales & Trade van de Hogeschool van Amsterdam van 14 februari 2025;
V.      veroordeelt het college van beroep voor de examens van de Hogeschool van Amsterdam tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en administratief beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 3.108,00 geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
VI.     gelast dat het college van beroep voor de examens van de Hogeschool van Amsterdam aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 53,00 vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. J.J.W.P. van Gastel en mr. M. den Heyer, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.S. Rietveld, griffier.
w.g. Scholten-Hinloopen
voorzitter
w.g. Rietveld
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 10 december 2025
1064