202407587/1/A2.
Datum uitspraak: 10 december 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], domicilie kiezend in [plaats],
appellante,
tegen de mondelinge uitspraak van de rechtbank NoordHolland van 22 oktober 2024 in zaak nr. 24/184 in het geding tussen:
[appellante]
en
het college van burgemeester en wethouders van Bloemendaal.
Procesverloop
Bij besluit van 12 juli 2023 heeft het college een aanvraag van [appellante] om een urgentieverklaring afgewezen.
Bij besluit van 27 november 2023 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij mondelinge uitspraak van 22 oktober 2024 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 oktober 2025, waar het college, vertegenwoordigd door mr. C. Schol en A. Yüksel-Köycü, is verschenen.
Overwegingen
1. [appellante] heeft drie minderjarige kinderen, geboren in 2012, 2014 en 2017. Zij verbleef blijkens de basisregistratie personen van 2017 tot 2022 in het buitenland. Bij terugkomst naar Nederland in 2022 zijn de kinderen onder toezicht gesteld. Zij verbleven dat jaar bij hun oma in Heemstede. In 2022 heeft [appellante] ingeschreven gestaan en gewoond in Heemstede, gemeente Bloemendaal, en vanaf 1 september 2022 in Apeldoorn. In november 2022 is [appellante] met de kinderen naar Portugal vertrokken, maar de kinderen moesten vanwege de ondertoezichtstelling terugkeren naar Nederland.
Op 7 februari 2023 heeft [appellante] zich ingeschreven in de gemeente Bloemendaal. Op 29 mei 2023 heeft [appellante] de aanvraag om urgentieverklaring ingediend, omdat zij geen passende woning voor zichzelf en de kinderen had, maar op diverse adressen verbleef. Ten tijde van de zitting bij de rechtbank was [appellante] gedetineerd en verbleven de kinderen bij hun oma.
2. Het college heeft de aanvraag afgewezen, omdat [appellante] niet voldoet aan de criteria van artikel 2.3.5, eerste lid, aanhef en onder a, van de Huisvestingsverordening Zuid-Kennemerland/IJmond: Bloemendaal 2022 (hierna: de Verordening). [appellante] was namelijk ten tijde van de aanvraag nog niet minimaal twee jaar inwoner van een van de gemeenten in de regio Zuid-Kennemerland. Voor toepassing van de hardheidsclausule bedoeld in artikel 4.2.2 heeft het college geen aanleiding gezien. [appellante] heeft namelijk niet met stukken aannemelijk gemaakt dat sprake is van een uitzonderlijke situatie waarbij overduidelijk is dat toewijzing van zelfstandige woonruimte op een zo kort mogelijke termijn dient plaats te vinden, omdat het langer laten voortduren van de bestaande situatie om medische, psychosociale of maatschappelijke redenen onverantwoord is.
3. De gronden die [appellante] in hoger beroep heeft aangevoerd zijn zo goed als een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. [appellante] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 3.4 en 4 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd. De Afdeling voegt daaraan toe dat de verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 21 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW5328, onder 3.2.3, alleen al niet slaagt, omdat de kinderen van [appellante], anders dan de situatie was in dat arrest, niet op straat zijn gezet en ook niet met hun moeder worden uitgezet. 4. Het hoger beroep slaagt niet. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
5. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T. van Goeverden-Clarenbeek, griffier.
w.g. Scholten-Hinloopen
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Goeverden-Clarenbeek
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 10 december 2025
488-1177