ECLI:NL:RVS:2025:5970

Raad van State

Datum uitspraak
10 december 2025
Publicatiedatum
10 december 2025
Zaaknummer
202403865/1/A2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Compensatieverzoek in het kader van de hersteloperatie toeslagen en de afwijzing door de Dienst Toeslagen

In deze uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, gedateerd op 10 december 2025, wordt het hoger beroep van [appellant] behandeld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 21 mei 2024. Het betreft een verzoek om compensatie vanwege institutionele vooringenomenheid met betrekking tot de kinderopvangtoeslag voor de jaren 2005 en 2006. De Dienst Toeslagen had eerder het verzoek van [appellant] afgewezen, omdat hij niet aannemelijk had gemaakt dat hij kinderopvangtoeslag had aangevraagd. De rechtbank bevestigde deze afwijzing, waarop [appellant] in hoger beroep ging.

De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat de Dienst Toeslagen voldoende heeft aangetoond dat er geen aanvragen voor kinderopvangtoeslag van [appellant] of zijn ex-echtgenote zijn geregistreerd. De rechtbank had terecht geoordeeld dat het aan [appellant] was om aannemelijk te maken dat hij recht had op compensatie, wat hij niet heeft kunnen doen. De Afdeling wijst erop dat de Dienst Toeslagen in 2012 is overgestapt naar een nieuw dataverwerkingssysteem, waardoor informatie verloren is gegaan, maar dat dit niet betekent dat [appellant] recht heeft op compensatie. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond.

De uitspraak benadrukt de noodzaak voor appellanten om voldoende bewijs te leveren voor hun claims, vooral in situaties waar gegevens verloren zijn gegaan door systeemoverstappen. De Afdeling concludeert dat de Dienst Toeslagen geen proceskosten hoeft te vergoeden.

Uitspraak

202403865/1/A2.
Datum uitspraak: 10 december 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 21 mei 2024 in zaak nr. 22/5316 in het geding tussen:
[appellant]
en
de Belastingdienst/Toeslagen (thans en hierna: Dienst Toeslagen)
Procesverloop
Bij besluit van 26 april 2022 heeft de Dienst Toeslagen het verzoek van [appellant] om compensatie vanwege institutionele vooringenomenheid ten aanzien van de toeslagjaren 2005 en 2006 afgewezen.
Bij besluit van 26 april 2022 heeft de Dienst Toeslagen het verzoek van [appellant] om een tegemoetkoming vanwege hardheid van het stelsel afgewezen.
Bij besluit van 3 mei 2023 heeft de Dienst Toeslagen het door [appellant] tegen deze besluiten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 21 mei 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De Dienst Toeslagen heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellant] heeft nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 6 november 2025, waar [appellant], bijgestaan door mr. S.C. Scheermeijer, advocaat in Rotterdam, en de Dienst Toeslagen, vertegenwoordigd door [gemachtigde A] en [gemachtigde B], zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1.       Deze uitspraak gaat over compensatie in het kader van de hersteloperatie toeslagen. De compensatieregeling in de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) is bedoeld voor gedupeerden van zowel institutionele vooringenomenheid als hardheid van het stelsel.
2.       Gedurende de looptijd van de hersteloperatie heeft de Dienst Toeslagen op basis van verschillende herstelregelingen compensatie toegekend. Met ingang van 5 november 2022 is de Wht van kracht. Op grond van het overgangsrecht worden compensatiebeschikkingen die in het kader van de hersteloperatie toeslagen zijn genomen vóór de inwerkingtreding van de Wht, aangemerkt als beschikkingen die zijn gegeven krachtens de Wht.
3.       [appellant] heeft op 22 februari 2021 bij de Dienst Toeslagen een verzoek gedaan tot herbeoordeling van zijn kinderopvangtoeslag over de jaren 2005 en 2006. Bij separate besluiten van 26 april 2022 heeft de Dienst Toeslagen het verzoek om compensatie afgewezen, omdat niet is gebleken dat [appellant] voor de toeslagjaren 2005 en 2006 kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd. Het bezwaar van [appellant] tegen deze besluiten heeft de Dienst Toeslagen ongegrond verklaard.
De uitspraak van de rechtbank
4.       De rechtbank heeft overwogen dat het in beginsel op de weg van [appellant] ligt om aannemelijk te maken dat hij een aanvraag voor kinderopvangtoeslag voor toeslagjaren 2005 en 2006 heeft ingediend. Uit de informatiesystemen van de Dienst Toeslagen volgt niet dat [appellant] of zijn ex-echtgenote kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd of dat aan hem kinderopvangtoeslag is toegekend. Uit de overgelegde stukken met betrekking tot een minnelijke schuldenregeling bij de Kredietbank kan niet worden afgeleid dat de schulden zien op terugvordering van kinderopvangtoeslag over 2005 en 2006. [appellant] heeft op zitting verder verklaard dat hij geen stukken ten aanzien van de kinderopvangtoeslag heeft, en dat hij niet weet of hij of zijn ex-echtgenote kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd, en evenmin of de kinderopvangtoeslag is uitbetaald aan hem of aan de kinderopvangorganisatie. Er is geen andere informatie overgelegd waaruit volgt dat [appellant] of zijn ex-echtgenote kinderopvangtoeslag heeft ontvangen, of dat kinderopvangtoeslag van hen is teruggevorderd. De ex-echtgenote van [appellant] heeft geen herbeoordelingsverzoek ingediend. Omdat daarmee niet aannemelijk is geworden dat [appellant] voor de toeslagjaren 2005 en 2006 kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd of ontvangen, heeft de Dienst Toeslagen terecht beslist dat [appellant] niet in aanmerking komt voor compensatie en een tegemoetkoming, aldus de rechtbank.
Hoger beroep
5.       [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij geen recht heeft op compensatie, omdat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in 2005 en 2006 kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd. Doordat de Dienst Toeslagen in 2012 is overgestapt naar een ander dataverwerkingssysteem, is informatie van sommige ouders die vóór 2012 kinderopvangtoeslag hadden aangevraagd, verloren gegaan. Door het tijdsverloop beschikt hij zelf niet meer over de brieven die hij heeft ontvangen in het verleden over kinderopvangtoeslag. Uit het door hem overgelegde schuldenoverzicht van de gemeente Rotterdam uit 2014 blijkt wel dat hij in 2014 een schuld had openstaan bij de Belastingdienst Particulieren LIC van € 106,00 en van € 7.789,00. Het bedrag van € 106,00 betreft een preferente vordering. Het bedrag van € 7.789,00 betreft een concurrente vordering. Dit vormt een indicatie dat hij wel kinderopvangtoeslag heeft ontvangen, aldus [appellant]. De Dienst Toeslagen heeft bovendien nagelaten een adequate toelichting op deze schuld te geven.
5.1.    De Dienst Toeslagen heeft toegelicht op welke wijze hij de hem ter beschikking staande systemen heeft doorzocht. In het zogenoemde Klantbeeld UHT worden beschikbare gegevens vanaf het jaar 2012 getoond. Ook zijn beschikkingen over kinderopvangtoeslag van 2006 tot en met 2012 daarin beschikbaar. Uit het overzicht via dit Klantbeeld UHT (of: SAS) volgt dat er van [appellant] geen beschikkingen ten aanzien van kinderopvangtoeslag over 2006 beschikbaar zijn. De Dienst Toeslagen heeft verder toegelicht dat gegevens van 2005 benaderd moeten worden via Toeslagen Verstrekkingen Systeem (hierna: TVS), Digitaal Archief. De voorloper van TVS betreft RKT. Waar mogelijk zijn deze gegevens ingeladen in TVS. Van [appellant] zijn in het Digitaal Archief wel huur- en zorgtoeslagbeschikkingen te vinden vanaf toeslagjaar 2006, maar geen beschikkingen over kinderopvangtoeslag. Verder heeft de Dienst Toeslagen gezocht in Eldoc, een briefregistratiesysteem. Daarin zijn gegevens van [appellant] vanaf 1999 opgenomen, maar deze hebben geen betrekking op kinderopvangtoeslag.
5.2.    De Dienst Toeslagen heeft voldoende inzichtelijk gemaakt op welke wijze hij heeft gezocht in de hem ter beschikking staande systemen. Daarbij zijn ten aanzien van de toeslagjaren 2005 en 2006 geen beschikkingen aangetroffen die zien op kinderopvangtoeslag. De Afdeling volgt [appellant] niet in zijn standpunt dat uit het schuldenoverzicht van de gemeente Rotterdam desondanks blijkt dat hij kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd. Anders dan [appellant] betoogt, heeft de Dienst Toeslagen een uitgebreide toelichting gegeven op de daarop vermeldde schulden van € 106,00 en van € 7.789,00 aan de Belastingdienst Particulieren LIC. Uit een brief van 1 juni 2016 volgt dat de uitdeling van deze schulden verdeeld moet worden over vorderingen uit huur- en zorgtoeslag. Dit komt overeen met de overige gegevens uit het dossier, waaruit volgt dat van [appellant] in de periode van 2007 tot en met 2012 zorg- en huurtoeslag is teruggevorderd. De bedragen die open stonden ten tijde van het aangaan van het schuldentraject bij de gemeente Rotterdam passen bij de op dat moment openstaande vorderingen uit huur- en zorgtoeslag. Naar het oordeel van de Afdeling is het bij deze stand van zaken niet aannemelijk dat [appellant] over 2005 en 2006 kinderopvangtoeslag heeft ontvangen, welke van hem ten onrechte is teruggevorderd. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de Dienst Toeslagen aan [appellant] geen compensatie heeft hoeven toekennen vanwege hardheid van het stelsel of vooringenomen handelen door de Dienst Toeslagen.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
6.       Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
7.       De Dienst Toeslagen hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. W. den Ouden, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.S. de Jong, griffier.
w.g. Den Ouden
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. De Jong
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 10 december 2025