ECLI:NL:RVS:2025:5978

Raad van State

Datum uitspraak
10 december 2025
Publicatiedatum
10 december 2025
Zaaknummer
202404683/1/A2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake de aanvraag van een Nederlands paspoort door een Marokkaanse nationaliteit uit een bigaam huwelijk

In deze zaak gaat het om het hoger beroep van [appellante], een Marokkaanse vrouw die op 12 juli 2022 een aanvraag voor een Nederlands paspoort indiende bij de Nederlandse ambassade in Rabat. De minister van Buitenlandse Zaken heeft deze aanvraag niet in behandeling genomen, omdat [appellante] meerderjarig was op het moment van erkenning door haar vader op 20 april 2022. De minister stelt dat [appellante] hierdoor niet de Nederlandse nationaliteit heeft verworven, zoals vereist op grond van artikel 9 van de Paspoortwet. De rechtbank Den Haag heeft in een eerdere uitspraak op 6 juni 2024 het beroep van [appellante] ongegrond verklaard, wat heeft geleid tot het hoger beroep bij de Raad van State.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft de zaak behandeld op 2 september 2025. Tijdens deze zitting waren zowel [appellante], vertegenwoordigd door haar advocaat mr. C.F. Wassenaar, als de minister, vertegenwoordigd door mr. L.H.T. Geuzendam en I.S. IJserinkhuijsen, aanwezig. De Afdeling heeft overwogen dat de erkenning door de vader van [appellante] niet heeft geleid tot het verkrijgen van de Nederlandse nationaliteit, omdat dit pas na haar meerderjarigheid gebeurde. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het bigame huwelijk van [appellante]'s ouders geen rechtsgevolgen heeft in Nederland, waardoor de erkenning niet leidt tot het verkrijgen van het Nederlanderschap.

De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank en oordeelt dat het onderscheid tussen meerderjarigen en minderjarigen in de Rijkswet op het Nederlanderschap niet onrechtvaardig is. De Afdeling concludeert dat er geen strijd is met de artikelen 8 en 14 van het EVRM, omdat [appellante] geen specifieke persoonlijke omstandigheden heeft aangevoerd die wijzen op ernstige gevolgen voor haar privéleven. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitspraak

202404683/1/A2.
Datum uitspraak: 10 december 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend in [woonplaats], Marokko,
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 6 juni 2024 in zaak nr. 23/5980 in het geding tussen:
[appellante]
en
de minister van Buitenlandse Zaken.
Procesverloop
Bij besluit van 12 juli 2022 heeft de minister de aanvraag van [appellante] voor een Nederlands paspoort niet in behandeling genomen.
Bij besluit van 27 juli 2023 heeft de minister het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 6 juni 2024 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 2 september 2025, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. C.F. Wassenaar, advocaat in Rotterdam, en de minister, vertegenwoordigd door mr. L.H.T. Geuzendam en I.S. IJserinkhuijsen, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1.       [appellante] heeft de Marokkaanse nationaliteit en is op [geboortedatum] 2003 geboren in Marokko uit een bigaam huwelijk. Haar vader heeft de Nederlandse nationaliteit en haar moeder de Marokkaanse nationaliteit. Op 16 juni 2022 heeft [appellante] een Nederlands paspoort aangevraagd bij de Nederlandse ambassade in Rabat, Marokko. De minister heeft de aanvraag niet in behandeling genomen, omdat [appellante] meerderjarig was toen zij door haar vader op 20 april 2022 werd erkend en daarom niet door de erkenning de Nederlandse nationaliteit heeft verworven.
Wettelijk kader
2.       Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.
Besluitvorming
3.       De minister heeft de aanvraag van [appellante] voor een Nederlands paspoort niet in behandeling genomen, omdat zij niet de Nederlandse nationaliteit bezit wat op grond van artikel 9, eerste lid, van de Paspoortwet is vereist. [appellante] is geboren staande een bigaam huwelijk. Dit bigame huwelijk heeft wegens strijd met de openbare orde naar Nederlands recht geen rechtsgevolgen en biedt dus geen basis voor het bestaan van familierechtelijke betrekkingen tussen [appellante] en haar vader. Wel is blijkens de uitspraak van de Afdeling van 7 april 2021, ECLI:NL:RVS:2021:721, erkenning mogelijk op grond waarvan familierechtelijke betrekkingen ontstaan. De erkenning door de vader van [appellante] op 20 april 2022 heeft er echter niet toe geleid dat [appellante] de Nederlandse nationaliteit heeft verworven, omdat zij ten tijde van de erkenning al meerderjarig was.
Uitspraak van de rechtbank
4.       De rechtbank heeft overwogen dat door de erkenning weliswaar een familierechtelijke betrekking tot stand is gekomen, maar dat door het nog staande bigame huwelijk het beletsel van de openbare orde niet is weggenomen. Omdat de erkenning niet plaats heeft gevonden ten tijde dat [appellante] minderjarig was, heeft zij door de erkenning het Nederlanderschap niet verkregen.
4.1.    Het gemaakte onderscheid tussen erkenning van een minderjarige en een meerderjarige als bedoeld in artikel 4, vierde lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: de RWN) is niet onrechtvaardig. Het onderscheid dient te voorkomen dat minder gewenste vreemdelingen zich door middel van erkenning het Nederlanderschap en daarmee het recht van vestiging in Nederland laten verschaffen.
4.2.    Het was voor de vader niet onmogelijk om tot de hiervoor genoemde uitspraak van 7 april 2021 een verzoek tot erkenning in te dienen. Hij had dit kunnen doen en tegen een weigering van het verzoek rechtsmiddelen kunnen indienen. Bovendien was [appellante] vanaf het moment van die uitspraak nog ruim twee en een halve maand minderjarig en had haar vader in die periode alsnog een verzoek tot erkenning kunnen doen. Daarvan is niet gebleken.
4.3.    Artikelen 8 en 14 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) dwingen er niet toe dat artikel 4, vierde lid, van de RWN zo moet worden uitgelegd dat [appellante] als minderjarige zou moeten worden gezien ten tijde van de erkenning. Volgens rechtspraak van de Hoge Raad is in de RWN limitatief bepaald in welke gevallen het Nederlanderschap wordt verkregen, en kan het Nederlanderschap niet worden verkregen door de werking van artikel 8 en/of artikel 14 van het EVRM, vergelijk het arrest van de Hoge Raad van 25 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV9435.
4.4.    De Unierechtelijke evenredigheidsbeoordeling speelt geen rol bij het verkrijgen van het Nederlanderschap, omdat zowel de wetgeving als de rechtspraak daar geen grondslag voor biedt. De rechtbank heeft geen redenen gezien om hierover prejudiciële vragen te stellen.
Hoger beroep
5.       [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen, dat door de erkenning staande het bigame huwelijk het beletsel van de openbare orde niet is weggenomen zodat op grond hiervan geen Nederlanderschap is verkregen.
5.1.    De Afdeling constateert dat de rechtbank is ingegaan op het betoog van [appellante] dat door de erkenning het beletsel van artikel 10:32 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: het BW) is weggenomen en zij daarom op grond van artikel 3, eerste lid, van de RWN het Nederlanderschap zou hebben verkregen. Zoals de minister in hoger beroep heeft verduidelijkt, doet de erkenning van [appellante] door haar vader niet af aan het feit dat het huwelijk waaruit [appellante] is geboren wegens strijd met de openbare orde in Nederland niet wordt erkend en op de voet van artikel 10:32 van het BW geen rechtsgeldig huwelijk is. Dit betekent ook dat [appellante], anders dan zij betoogt, niet op grond van artikel 3, eerste lid, van de RWN van rechtswege vanaf haar geboorte de Nederlandse nationaliteit heeft, vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 7 april 2021, ECLI:NL:RVS:2021:721, onder 6. De vraag of [appellante] door de erkenning wel de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen, moet worden beantwoord aan de hand van artikel 4, vierde lid, van de RWN, wat de rechtbank correct heeft gedaan. Het betoog van [appellante] slaagt niet, omdat de erkenning heeft plaatsgevonden nadat zij meerderjarig was geworden.
6.       [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het onderscheid tussen meerderjarigen en minderjarigen als bedoeld in artikel 4, vierde lid, van de RWN niet onrechtvaardig is. Volgens [appellante] is het onderscheid discriminatoir en in strijd met artikel 8 van het EVRM, in samenhang gelezen met artikel 14 van het EVRM, omdat zij als kind van een Nederlander uit een bigaam huwelijk niet het Nederlanderschap kon verwerven ten tijde van haar minderjarigheid. Daar komt bij dat de rechtbank ten onrechte de omstandigheden waarin [appellante] en haar vader zich bevonden, niet als bijzonder heeft aangemerkt. Als de rechtbank dat wel had gedaan dan biedt artikel 8 van het EVRM ruimte om af te wijken van het beleid en kan [appellante] wel het Nederlanderschap verwerven.
6.1.    De Afdeling onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat het onderscheid tussen meerderjarigen en minderjarigen niet onredelijk is. Uit de memorie van toelichting op artikel 4 van de RWN volgt dat met de minderjarigheidseis voorkomen moet worden dat minder gewenste vreemdelingen door middel van een erkenning het Nederlanderschap en daarmee het recht van vestiging verschaffen (Kamerstukken II 1981/82, 16 947, nr. 3, p. 10). Daarnaast acht de Afdeling het onderscheid gerechtvaardigd, omdat bij minderjarigheid de gezinseenheid vooropstaat en bij meerderjarigheid de zelfstandigheid en de eigen verantwoordelijkheid. Dat [appellante] als kind van een Nederlander uit een bigaam huwelijk niet het Nederlanderschap kon verwerven toen zij minderjarig was, doet daar niet aan af. De vader van [appellante] had overigens tegen mogelijk eerdere weigering van erkenning rechtsmiddelen kunnen aanwenden, maar dat heeft hij, zoals de rechtbank in haar uitspraak van 6 juni 2024, onder 6.1, heeft vastgesteld, niet gedaan. Daarbij heeft de rechtbank ook overwogen dat niet is gebleken dat gedurende de ruim twee maanden tussen de uitspraak van de Afdeling van 7 april 2021 en het meerderjarig worden van [appellante] op 30 juni 2021, de vader een verzoek tot erkenning heeft ingediend. Voor zover [appellante] onder meer in verband hiermee aanvoert dat sprake is van strijd met algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder begrepen het evenredigheidsbeginsel, wijst de Afdeling er op dat de RWN limitatief bepaalt in welke gevallen het Nederlanderschap van rechtswege wordt verkregen dan wel verloren. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt dan ook, dat het Nederlanderschap niet in afwijking daarvan kan worden verkregen of behouden op grond van een algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, zie het arrest van de Hoge Raad van 25 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:331, onder 3.1.2, en de uitspraak van de Afdeling van 3 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1400, onder 3.2.
6.2.    Voor zover [appellante] betoogt dat artikel 8 van het EVRM ruimte biedt om af te wijken van het beleid, waaronder blijkbaar inbegrepen de Nederlandse wetgeving, overweegt de Afdeling als volgt. [appellante] heeft geen specifieke persoonlijke omstandigheden aangevoerd die erop wijzen dat het niet toekennen van het Nederlanderschap ernstige gevolgen heeft gehad voor haar privéleven. De Afdeling is dan ook van oordeel dat er geen sprake is van strijd met artikel 8 van het EVRM, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 14 van het EVRM. Vergelijk in dit verband de niet-ontvankelijkheidsbeslissing van het EHRM van 16 november 2021, S.-H. tegen Polen, ECLI:CE:ECHR:2021:1116DEC005684615, paragraaf 73. Het betoog van [appellante] slaagt niet.
7.       [appellante] betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen, dat de Unierechtelijke evenredigheidstoets geen rol speelt omdat die toets volgens de rechtbank alleen zou moeten worden gedaan bij het verlies van het Unieburgerschap en niet ook bij het verwerven daarvan. De arresten van het Hof van Justitie van 18 januari 2022, JY tegen Oostenrijk, ECLI:EU:C:2022:34, en 29 april 2025, Europese Commissie tegen Malta, ECLI:EU:C:2025:283, bieden namelijk wel degelijk aanleiding om te veronderstellen dat het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel ook in dit geval van belang is of kan zijn.
7.1.    De Afdeling is van oordeel dat in dit geval geen Unierechtelijke evenredigheidstoets hoeft te worden verricht. Daarbij is van belang dat [appellante] de nationaliteit van een lidstaat van de Europese Unie niet heeft of heeft gehad en dus nimmer Unieburger is geweest. Dat was wel het geval in het arrest JY tegen Oostenrijk. Ook biedt het arrest inzake Europese Commissie tegen Malta geen ruimte om de Unierechtelijke evenredigheidstoets hier wel toe te passen. Weliswaar gaat het in die zaak om het verkrijgen van het Unieburgerschap, maar in de context van een structuur waarin het Unieburgerschap wordt verkregen door het verhandelen van paspoorten. Een dergelijke ‘vermarkting’ van het burgerschap heeft het Hof onverenigbaar geacht met de fundamentele opvatting van het Unieburgerschap. Een dergelijke vermarkting druist in tegen het beginsel van loyale samenwerking en ondermijnt het wederzijds vertrouwen tussen de lidstaten bij de toekenning van hun nationaliteit. In dit arrest worden derhalve grenzen gesteld aan het verlenen van een nationaliteit. Hierin wordt niet een verplichting tot verlening van een nationaliteit opgelegd. De Afdeling ziet dan ook geen parallel met waar het [appellante] om gaat, namelijk het verkrijgen van de Nederlandse nationaliteit. Het betoog van [appellante] slaagt niet.
7.2.    Uit het voorgaande volgt dat redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan over het antwoord op de opgeworpen vraag. Gelet op de arresten van het Hof van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punt 16, en 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punten 39 en 40, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.
Conclusie
8.       Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
9.       De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. W. den Ouden, voorzitter, en mr. B.P. Vermeulen en mr. M.C Stoové, leden, in tegenwoordigheid van mr. N. Tibold, griffier.
w.g. Den Ouden
voorzitter
w.g. Tibold
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 10 december 2025
853-1112
BIJLAGE
De Rijkswet op het Nederlanderschap
Artikel 2
1.       Tenzij de wet anders bepaalt, hebben de verkrijging en het verlies van het Nederlanderschap geen terugwerkende kracht.
[…]
Artikel 3
1.       Nederlander is het kind waarvan ten tijde van zijn geboorte de vader of de moeder Nederlander is, alsmede het kind van een Nederlander die voordien is overleden.
[…]
Artikel 4
[…]
4.       Door erkenning wordt ook Nederlander de minderjarige vreemdeling die na zijn geboorte wordt erkend door een Nederlander die zijn biologische ouderschap bij of binnen de termijn van één jaar na de erkenning aantoont.
De Paspoortwet
Artikel 9
1.       Iedere Nederlander heeft binnen de grenzen bij deze wet bepaald, recht op een nationaal paspoort, geldig voor tien jaren en voor alle landen.
[…]
Het Paspoortbesluit 2020
Artikel 2.1. Vaststelling identiteit en Nederlanderschap
1.       Voor het verkrijgen van de nodige zekerheid over de identiteit van de aanvrager, alsmede over zijn Nederlanderschap dan wel zijn behandeling als Nederlander, indien het een persoon betreft op wie de Wet betreffende de positie van Molukkers van toepassing is, wordt gebruik gemaakt van het door de aanvrager overgelegde Nederlandse reisdocument, de door de aanvrager bij de aanvraag verstrekte gegevens, alsmede van de in de basisadministratie dan wel de in het basisregister reisdocumenten opgenomen gegevens of van overige bij de tot uitreiking bevoegde autoriteit aanwezige documenten.
2.       Indien onzekerheid bestaat over de identiteit dan wel over het Nederlanderschap van de aanvrager wordt daarnaar een gericht onderzoek ingesteld. Dit onderzoek omvat zoveel mogelijk verificatie van de identiteit dan wel de nationaliteit met behulp van door de aanvrager over te leggen documenten die zijn afgegeven door een bevoegde autoriteit, waaronder zijn geboorteakte, reisdocumenten die op zijn naam zijn gesteld, dan wel buitenlandse reisdocumenten waarin hij staat vermeld en eventuele andere bewijsstukken.
De Paspoortuitvoeringsregeling Buitenland 2001
Artikel 52
1.       Een aanvraag waarbij niet is voldaan aan het bepaalde in de artikelen 2.1 tot en met 2.17 van het besluit en de artikelen 11 tot en met 51 wordt niet in behandeling genomen.
Boek 10 van het Burgerlijk Wetboek
Artikel 31
1.       Een buiten Nederland gesloten huwelijk dat ingevolge het acht van de staat waar de huwelijksvoltrekking plaatsvond rechtsgeldig is of nadien rechtsgeldig is geworden, wordt als zodanig erkend.
2.       Een buiten Nederland ten overstaan van een diplomatieke of consulaire ambtenaar voltrokken huwelijk dat voldoet aan de vereisten van het recht van de staat die die ambtenaar vertegenwoordigt, wordt als rechtsgeldig erkend tenzij die voltrekking in de staat waar zij plaatsvond niet was toegestaan.
3.       Voor de toepassing van de leden 1 en 2, worden onder recht mede begrepen de regels van internationaal privaatrecht.
4.       Een huwelijk wordt vermoed rechtsgeldig te zijn, indien een huwelijksverklaring is afgegeven door een bevoegde autoriteit.
Artikel 32
Ongeacht artikel 31 van dit Boek wordt aan een buiten Nederland gesloten huwelijk erkenning onthouden indien deze erkenning kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde en in ieder geval indien een der echtgenoten op het tijdstip van de sluiting van dat huwelijk:
a.       reeds gehuwd was of een geregistreerd partnerschap had gesloten met een persoon die de Nederlandse nationaliteit bezat of zelf de Nederlandse nationaliteit bezat of in Nederland zijn gewone verblijfplaats had, tenzij het eerder gesloten huwelijk of geregistreerd partnerschap is ontbonden of nietig verklaard;
[…]