202505168/1/A2.
Datum uitspraak: 10 december 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellante], wonend in [woonplaats],
appellante,
en
het College van Beroep voor de Examens van de Open Universiteit (hierna: CBE),
verweerder.
Procesverloop
Bij beslissing van 17 maart 2025 heeft de Commissie voor de examens van de Open Universiteit, namens de examinator, aan [appellante] meegedeeld dat haar tentamen Inleiding privaatrecht (RB0204) (hierna: het tentamen) is beoordeeld met het cijfer 5,3.
Bij beslissing van 23 juli 2025 heeft het CBE het daartegen door [appellante] ingestelde administratief beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze beslissing heeft [appellante] beroep ingesteld.
Het CBE heeft een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 30 oktober 2025, waar via een videoverbinding [appellante] en het CBE, vertegenwoordigd door mr. A.L.H. Soons-Koopman, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellante] heeft op 15 maart 2025 het tentamen afgelegd. Op 14 april 2025 heeft de commissie voor de examens haar bericht dat zij voor dat tentamen het cijfer 5,3 heeft behaald.
2. [appellante] is het niet eens met de beslissing van 17 maart 2025 en is van mening dat haar een hoger cijfer toekomt. Het CBE heeft in de beslissing van 23 juli 2025 vooropgesteld dat het geen inhoudelijke (her)beoordeling van de antwoorden en het antwoordmodel kan geven, omdat dit gelet op artikel 7.61, tweede lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek buiten de reikwijdte van het administratief beroep valt. Het CBE heeft verder geoordeeld dat de examinator voldoende gemotiveerd heeft toegelicht waarom het antwoordmodel juist is en waarom de door [appellante] gegeven antwoorden niet juist gerekend kunnen worden. Naar oordeel van het CBE heeft [appellante] geen concrete voorbeelden gegeven waaruit blijkt dat de vraagstelling onvoldoende informatie bevat om deze juist te kunnen beantwoorden.
Beoordeling beroep
3. Ingevolge artikel 8:4, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan geen beroep worden ingesteld tegen een besluit, inhoudende een beoordeling van het kennen en kunnen van een kandidaat of leerling die ter zake is geëxamineerd of op enigerlei andere wijze is getoetst, dan wel inhoudende de vaststelling van opgaven, beoordelingsnormen of nadere regels voor die examinering of toetsing. De Afdeling kan om die reden alleen beoordelen of bij de herbeoordeling is voldaan aan de voorschriften van procedurele aard die bij of krachtens de Awb, de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek of enig andere wet in formele zin zijn gesteld. Dit betekent dat de Afdeling geen oordeel kan geven over wat [appellante] aanvoert over de inhoud en de vraagstelling van het tentamen en over de beoordeling door de examinatoren van het tentamen.
4. De Afdeling kan de beroepsgronden wel beoordelen voor zover [appellante] daarin klaagt dat de procedure van beoordelen niet zorgvuldig is geweest. Ter zitting heeft het CBE de procedure toegelicht die de commissie voor de examens in dit geval heeft gevolgd. De examinator heeft opnieuw gekeken naar het tentamen en getoetst of de vraagstelling voldoende duidelijk was. Naar aanleiding van het administratief beroepschrift heeft de examinator per betwiste vraag uiteengezet waarom het antwoordmodel juist is en het door [appellante] gegeven antwoord niet. [appellante] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de door de examencommissie gevolgde procedure in haar geval onzorgvuldig is geweest. Het betoog slaagt niet.
5. Op de zitting heeft [appellante] zich onder verwijzing naar een beslissing van het CBE uit 2016 op het standpunt gesteld dat de beslissing van het CBE in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. Omdat zij dit betoog pas op de zitting aangevoerd heeft, heeft het CBE zich hierop niet kunnen voorbereiden. [appellante] heeft desgevraagd niet kunnen toelichten waarom zij dit betoog pas op zitting heeft aangevoerd. Naar het oordeel van de Afdeling had [appellante] dit betoog eerder naar voren kunnen en moeten brengen. De Afdeling zal het betoog daarom wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing laten.
6. Voor zover [appellante] aanvoert dat het CBE niet heeft onderkend dat de commissie voor de examens in strijd met verschillende beginselen van behoorlijk bestuur heeft gehandeld, heeft zij niet toegelicht waaruit die strijd bestaat. Het betoog slaagt dan ook niet.
Conclusie
7. Het beroep is ongegrond.
8. Het CBE hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T. van Goeverden-Clarenbeek, griffier.
w.g. Scholten-Hinloopen
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Goeverden-Clarenbeek
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 10 december 2025
488-1180