ECLI:NL:RVS:2025:598
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging uitspraak rechtbank over bewaring vreemdeling en afwijzing schadevergoeding
De minister van Asiel en Migratie stelde de vreemdeling op 27 december 2024 in bewaring. De vreemdeling stelde beroep in tegen deze bewaring en vroeg tevens om schadevergoeding. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af op 14 januari 2025.
De vreemdeling ging in hoger beroep bij de Raad van State. Hij klaagde onder meer dat de rechtbank onvoldoende had gemotiveerd op zijn stellingen over voortvarendheid en zicht op uitzetting. De Raad oordeelde dat de rechtbank dit wel had moeten doen, maar dat uit de feiten bleek dat de minister voortvarend had gehandeld en er zicht was op uitzetting binnen een redelijke termijn.
Verder voerde de vreemdeling andere grieven aan, maar deze waren onvoldoende om de uitspraak te vernietigen. De Raad van State zag ook geen reden om de bewaring onrechtmatig te achten. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de rechtmatigheid van de bewaring en wijst het hoger beroep van de vreemdeling af.